Een bloedbad op de drempel

Voor theaterdirecteuren is het een aantrekkelijk genre. Jong, oud, allochtoon en autochtoon – iedereen komt kijken omdat er cabaret op staat.

De cijfers zeggen alles. Eenderde van de voorstellingen in de grote zalen van de Nederlandse schouwburgen is uitverkocht – en dat zijn voor iets meer dan de helft (54 pct) cabaretvoorstellingen. Iets minder dan de helft (46 pct) zijn musicals en ander grootscheeps muziektheater. In totaal trokken die grote zalen in 2001 zo'n 1,7 miljoen cabaretbezoekers, volgens onderzoek van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD).

Maar betekent dat nu ook dat die theaterdirecteuren steeds meer cabaret naar hun podia halen? Daarover geven de cijfers een genuanceerder beeld. In de grote zalen is de genreverdeling de laatste jaren niet wezenlijk veranderd. Percentueel gezien blijft het aandeel van muziek, dans, toneel, cabaret en musical min of meer gelijk. Steeds meer schouwburgen hebben er echter een kleine zaal bijgekregen, en daar komt steeds meer cabaret terecht. ,,Ik zie wel een groei in het aantal cabaretvoorstellingen'', zegt directeur Jan Gras van de schouwburg De Meerse in Hoofddorp, ,,maar die gaat hand in hand met de groei van het totale aantal theatervoorstellingen in Nederland.''

Dat cabaret een aantrekkelijk genre voor de theaterdirecteuren is, staat vast. Al was het maar omdat hun begrotingen jaarlijks moeten worden goedgekeurd door cultuurwethouders die niet graag tekorten zien. Cabaret haalt iedereen binnen. Volgens een recent NIPO-onderzoek is er geen enkel ander theatergenre waarvan het publiek zo evenwichtig over alle leeftijdscategorieën is verdeeld. Bij toneel en klassieke muziek vormen de 40-plussers de meerderheid, bij popmuziek zijn het de 40-minners, maar bij cabaret komen ze allemaal.

,,Geen andere discipline in het theater trekt een zo grote verscheidenheid aan publiek als cabaret'', bevestigt de werkgroep cabaret van de VSCD, bestaande uit theaterdirecteuren en -impresariaten. Niet alleen de elders zo felbegeerde jongeren komen eropaf, maar ook de allochtonen naar wie door andere genres vooral vergeefs wordt gehunkerd. ,,Cabaret levert op een presenteerblaadje dat waar beleidsmakers al jarenlang over tobben'', aldus de werkgroep.

In opdracht van de VSCD en het bijbehorende Bureau Promotie Podiumkunsten onderzocht het NIPO vorig najaar hoe de theatermarkt er voorstaat. Daaruit bleek dat bijna de helft van alle Nederlanders minstens een keer per jaar een theater bezoekt. Gevraagd naar het genre dat men in de eerste helft van 2002 had bezocht, noemde 37 pct cabaret of stand-up comedy. Dat was de grootste groep. De musicals kwamen met 34 pct op de tweede plaats.

Het lijkt er dus op, dat er geen vuiltje aan de lucht is. De bomen groeien tot aan de hemel, het kan niet op. Maar in werkelijkheid levert het groeiende cabaretaanbod ook problemen op. De zaak raakt steeds meer verstopt. Elk jaar vindt er een bloedbad plaats op de drempels van alle Nederlandse schouwburgen. Dat speelt zich vooral af in het najaar en het begin van het nieuwe jaar, als de schouwburgdirecteuren uit het overweldigende aanbod aan podiumkunsten hun keuze voor het komende seizoen moeten maken. Rond deze tijd hebben de meesten, in potlood, hun programmering voor het seizoen 2003/2004 goeddeels rond. En heel wat impresario's hebben intussen al tegen diverse minder bekende artiesten uit hun stal moeten zeggen, dat hun volgende tournee minder speelbeurten zal omvatten dan de huidige.

Dat lot treft ook cabaretiers die al jarenlang tot de middenmoot behoren en tot dusver een min of meer vast publiek trokken. Ze worden voorbijgestreefd door nieuwere namen naar wie – al of niet tijdelijk – alle aandacht uitgaat. Javier Guzman pikt zodoende speelbeurten af van Jaap Mulder, Jan Jaap van der Wal verdringt Kees Torn en Marc Marie Huijbregts gaat ten koste van Marcel Verreck. Het wordt dringen.

Een probleem is bovendien, dat er een belangrijk circuit is weggevallen. Veel gesubsideerde jongerencentra, waar nieuw talent zich een seizoen of wat in de luwte kon ontwikkelen, zijn in de jaren negentig wegbezuinigd. ,,Tegenwoordig moet je al meteen een paar honderd bezoekers kunnen trekken in de kleine zaal van een schouwburg'', zegt directeur Joost Nuissl van de Kleine Komedie in Amsterdam, het belangrijkste cabaretpodium van het land. ,,Dat voorportaal is er niet meer'', vult Jan Gras aan, ,,waardoor je nu in de kleine zalen soms mensen ziet optreden, die in dit stadium nog veel beter in een achterafzaaltje passen. En naarmate er in de theaters meer varkens bijkomen, wordt de spoeling natuurlijk dunner.''

Die opmars van onrijp talent in de theaters heeft ook nog een ander gevolg, denkt Nuissl: ,,Het is de verantwoordelijkheid van theaterdirecteuren om het publiek niet te misleiden. Als je twee keer topcabaret belooft, en dat valt twee keer tegen, dan gelooft het publiek je de derde keer niet meer. En dan bezorg je het cabaret dus een slechte naam.''

Nuissl en Gras buigen zich in de VSCD-werkgroep cabaret over de vraag wat er aan de huidige wildgroei te verhelpen valt. Ze denken bijvoorbeeld aan een fonds voor jonge kleinkunstenaars die met mooie plannen komen, en een aan cabaret gewijde cursus voor theaterprogrammeurs. ,,Het is natuurlijk ook moeilijk voor een theaterdirecteur om van al die verschillende genres – muziek, dans, toneel, opera, musical, cabaret – de laatste ontwikkelingen bij te houden'', erkent Nuissl. ,,Alleen al op cabaretgebied zou je op dit moment genoeg visie moeten hebben om te weten hoe een artiest of een groep zich over anderhalf à twee jaar zal ontwikkelen. Door het programmeringssysteem moet je immers nu al bepalen wie er over anderhalf jaar in jouw theater mogen staan. En dat is heel lastig.''