DUINEN VAN PUUR ZOUT IN BOLIVIA ONTSTAAN UIT PEKELPLASSEN EN WIND

Op de grootste zoutvlakte ter wereld, de Salar de Uyuni in Bolivia, komen duinen voor die geheel bestaan uit zoutkristallen die door de wind zijn opgewaaid (Sedimentary Geology, jan). De opgewaaide zoutdeeltjes vormen paraboolduinen, net zoals die door de wind vroeger zijn ontstaan langs de Nederlandse kust, en die ook veel in de Sahara voorkomen. De parabolische vorm duidt er op dat de wind ter plaatse vrijwel altijd uit dezelfde richting waait.

Zandduinen zijn gewone verschijnselen; een enkele maal zijn duinen aangetroffen van andere deeltjes, zoals gips (in de `White Sands' in New Mexico), maar duinen van steenzoutkristallen (NaCl) waren tot nu toe niet bekend. Johan Svendsen, een geoloog van de Universiteit van Aarhus (Denemarken), ondekte hun bestaan onlangs in Bolivia. De zoutduinen zijn qua grootte niet te vergelijken met kust- of woestijnduinen: ze worden niet veel meer dan 1,3 m lang, 0,70 m breed en enkele decimeters hoog en hebben alle vrijwel gelijke afmetingen. Het lijkt erop dat de duinen vroeger hoger zijn geweest en dat de wind ze heeft afgevlakt.

Toch kan die wind niet de enige oorzaak zijn van de duinvorming, want dan hadden soortgelijke duinen zich ook op andere zoutvlaktes moeten ontwikkelen. Dat blijkt ook uit het feit dat van de reusachtige zoutvlakte (10.000 km²) slechts dit kleine (5 km²) gebiedje duinvorming vertoont (Svendsen sluit overigens niet uit dat er nog meer vergelijkbare veldjes zullen worden gevonden). Dat het bij de vorming en de preservatie van de duintjes niet alleen om wind gaat, blijkt ook uit de gedeeltelijke cementatie van de duintjes; kennelijk is een deel van het zout opgelost en daarna weer uitgekristalliseerd.

De onderzoeker komt tot de conclusie dat de duintjes zijn opgebouwd uit aan elkaar gekitte kristallen die opgewaaid worden vlak nadat ze zijn ontstaan op het contact van pekelplassen en lucht. Bij het herhaald opwaaien en neervallen vallen de zoutstukjes uiteen tot korrels van zandgrootte. Dit `zoutzand' begint plaatselijk, waarschijnlijk om onregelmatigheden op het zoutoppervlak, duintjes te vormen. In het droge seizoen blijven de duintjes vooruit bewegen, waarbij ze langzaam aangroeien. In het nattere seizoen stijgt de waterspiegel tot aan het oppervlak en is verdere verstuiving onmogelijk. Door capillaire werking wordt pekel dan in de duinen opgezogen, waardoor cementatie plaatsvindt en verder voortschrijden (en dus ook aangroeien) onmogelijk wordt. In het weer volgende droge seizoen kan het bovenste gedeelte, dat te hoog was om via capillaire werking door pekel te worden bereikt en gecementeerd, door de wind worden weggeblazen.

Zo blijven op den duur ter plaatse alleen `onthoofde' duintjes van 1 jaar oud achter. Waar de grondwaterspiegel niet precies fluctueert tot bij het oppervlak, kan deze serie processen niet plaatsvinden.