De impressionisten zijn er voor iedereen

De bewonderende kreetjes zijn niet van de lucht dezer dagen in de Kunsthal. Dat was wel anders in de Parijse Salon tijdens de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw. Toen viel het werk van de impressionisten ook oh en ah ten deel, maar uit afgrijzen over zoveel onrealistisch kleurgebruik. In iets minder dan anderhalve eeuw zijn de lichtschilders echter meer dan salonfähig geworden; het impressionisme is nu laagdrempelige kunst voor de massa. Geen poster, placemat of koektrommel uit de museumwinkel, of er staat wel een Renoir of Manet op.

Wat dat betreft heeft de Kunsthal zich met Miracle de la Couleur weer verzekerd van een kaskraker. Toch kan de Rotterdamse tentoonstellingsmachine een gevoel voor museale noodzaak niet ontzegd worden. Het gebeurt namelijk maar zelden dat het (neo)impressionisme zo breed wordt gepresenteerd; de drie tentoonstellingen die de afgelopen 15 jaar in Nederland werden georganiseerd gingen steeds over deelaspecten. Met het impressionistische aandeel in de vaderlandse collecties is het ook al slecht gesteld. De expositie van 110 doeken uit het bezit van het Zwitserse verzamelaarsechtpaar Corboud vult zodoende een kunsthistorisch gat. En naar de publieksreactie te oordelen ook een behoefte.

De werken zijn ruwweg chronologisch opgehangen, beginnend bij de wat donkere plattelandstaferelen van de School van Barbizon en eindigend bij het woeste kleurgebruik van de fauvisten en pointillisten. Af en toe wordt het historische kader doorbroken met een rangschikking naar thema of stijl, die niet helemaal navolgbaar is. Zo hangt een vroeg synthetistisch werk van Emille Bernard uit 1988 naast een dertig jaar jonger fauvistische uitspatting van Maurice Denis – de kleur roze lijkt het enige verband. Ook in het bijna fluorescerende hoekje van de pointillisten hangt plotseling een duistere Stansilas Lépine die qua tijd en stijl elders thuishoort.

Maar die incidenten doen niets af aan de hoge kwaliteit van de getoonde collectie. Op een enkel boertig zeezicht van een mindere god als Armand Guillaumin na, zijn het bijna stuk voor stuk meesterwerkjes. De grote namen zijn wat ondervertegenwoordigd – van Gaugin, Renoir en Van Gogh is slechts één werk te zien en dat zijn geen toppers. Van Monet is zelfs alleen een ébauche te zien, een wazige onaffe versie van Huizen te Falaise in de Nevel. Maar daar tegenover staat een enorme rijkdom aan namen die zelden of nooit in Nederlandse musea te zien zijn zoals Willy Finch, Emile Bernard en de hier zeer goed vertegenwoordigde Gustav Caillebotte wiens weelderige bloementuinen van het canvas afspatten.

Liefhebbers van de revolutionaire impressionistische penseelvoering kunnen de ritmische vegen in elkaar overlopende kleuren uit bijvoorbeeld Paul Signacs vroege Seine-gezicht vergelijken met de ongemengde `taches' van zijn neo-impressionistische volgeling Antoine de la Rochefoucauld. Een magnifieke bosrand van Alfred Sisley vibreert bijna van de geschakeerde paarse schaduwen en rimpelende straaltjes zomerzon. Maar het toppunt van lucide kleurgebruik is wel te vinden bij Henri Edmund Cross, wiens schilderij De Tra (1906) een verdiende ereplaats inneemt. De weelderige bosnimfen op de voorgrond versmelten half met het groen, geel, blauw van de bomen; de rondedans verderop lost bijna op in het stralend gouden licht.

Hier en daar wordt op de tekstbordjes de invloed van het impressionisme op latere stromingen benadrukt. Maar historische verbanden leggen doet Miracle de la Couleur niet, of het moet impliciet zijn door het tonen van een impressionistische Munch of Picabia. Erg is het niet. De tentoonstelling geeft wat het belooft: de ontwikkeling van het (neo)impressionisme in volle breedte en lengte. Het levert een schitterend totaalbeeld op voor het grote publiek, en een presentatie om jaloers van de watertanden voor museumconservators en collectioneurs.

Tentoonstelling: Miracle de la Couleur: meesterwerken uit de Fondation Corboud. T/m 25/5 in Kunsthal, Rotterdam.