Bullebakken tegen verwijfde kakkebroeken

Het Amerikaanse anti-Europeanisme viert hoogtij. De boodschappers ervan zijn misschien wel de eerste zwaluwen van een lange nare zomer. Want een oorlog tegen Irak zal de kloof tussen Amerika en Europa alleen maar verbreden, vindt Timothy Garton Ash .

Er zullen dit jaar, vooral als de Verenigde Staten een oorlog met Irak beginnen, ongetwijfeld nog artikelen in de Amerikaanse pers verschijnen over het `anti-Amerikanisme in Europa'. Maar hoe staat het met het anti-Europeanisme in de Verenigde Staten?

Wat dacht u hiervan:

,,Aan de lijst van staatsvormen die voorbestemd zijn om door het Eurinoir van de geschiedenis te spoelen, moeten we de Europese Unie en de Vijfde Franse Republiek toevoegen. De enige vraag is hoeveel rotzooi hun verval zal geven.''

(Mark Steyn, Jewish World Review, 1 mei 2002)

En:

,,Zelfs de uitdrukking `laffe kaaseters' wordt net zo vaak gebruikt [ter omschrijving van de Fransen] als de Fransen `rotjoden' zeggen. O jee, pardon, dat is een andere geliefde Franse uitdrukking.''

(Jonah Goldberg, Nationaal Review Online, 16 juli 2002)

Of, uit nogal een andere hoek:

,,Wilt u weten wat ik echt van de Europeanen vind?'', vroeg de hoge functionaris van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. ,,Ik vind dat ze de afgelopen twintig jaar zowat in elke belangrijke internationale kwestie de plank misgeslagen hebben.''

(Geciteerd door Martin Walker, UPI, 13 november 2002)

De ergernis over Europa en de Europeanen loopt op het ogenblik nog meer op dan op het laatste gedenkwaardige hoogtepunt, begin jaren tachtig. De pennen worden in azijn gedoopt en de lippen opgetrokken om schande te spreken over `de Europeanen', ook wel bekend als de `Euros', de `Euroids', de `peens' of de `Euroweenies', met andere woorden: de lulletjes uit Europa. Volgens Richard Perle, de huidige voorzitter van de Raad voor Defensiepolitiek van het Pentagon, is Europa zijn ,,moreel kompas'' en Frankrijk zijn ,,morele ruggengraat'' kwijt. De ergernis reikt tot in de hoogste kringen van de regering-Bush. In gesprekken met hoge regeringsfunctionarissen merkte ik op dat vrij snel na de uitdrukking `onze vrienden in Europa' meestal wel de term `onuitstaanbaar' viel.

Het geijkte beeld van de Europeanen is op het ogenblik eenvoudig samen te vatten. De Europeanen zijn watjes. Het zijn zwakke, chagrijnige, schijnheilige, verdeelde, onbetrouwbare, soms antisemitische en vaak anti-Amerikaanse vredesduiven. In één woord: Euroweenies. Hun waarden en hun ruggengraat zijn opgelost in een lauw bad van multilateraal, internationaal, seculier en postmodern gewauwel. Ze besteden hun euro's aan wijn, vakantie en opgeblazen verzorgingsstaten in plaats van aan defensie. En dan schelden ze langs de zijlijn als de Verenigde Staten het zware en vuile werk opknappen om de wereld voor de Europeanen veilig te houden. De Amerikanen daarentegen zijn sterke, beginselvaste verdedigers van de vrijheid, die pal staan voor hun vaderland, 's werelds laatste waarachtig soevereine nationale staat.

Er zou eens een studie moeten worden geschreven over de seksuele connotaties van deze stereotypen. Als anti-Amerikaanse Europeanen `de Amerikanen' zien als bullebakken van cowboys, dan zien anti-Europese Amerikanen `de Europeanen' als verwijfde kakkebroeken. De Amerikaan is een viriel, heteroseksueel mannetje; de Europeaan is een vrouwtje, impotent of gecastreerd. Militair kunnen de Europeanen hem niet overeind krijgen. (Ze hebben tenslotte nog geen twintig zware transportvliegtuigen, vergeleken bij de ruim tweehonderd van de Verenigde Staten.) Het woord `eunuchs' wordt als `EU-nuchs' geschreven. De seksuele connotaties sluipen zelfs binnen in een beschaafder relaas over de Amerikaans-Europese geschillen, een inmiddels al invloedrijk artikel in Policy Review van Robert Kagan van de Carnegie Endowment for Peace, getiteld `Macht en zwakte'. ,,De Amerikanen komen van Mars,'' schrijft Kagan goedkeurend, ,,en de Europeanen van Venus'' – naar het beroemde boek over de relaties tussen mannen en vrouwen van John Gray.

Niet alle Europeanen zijn even slecht. De Engelsen worden meestal als enigszins anders en soms als beter beschouwd. De Amerikaanse conservatieven besparen de Engelsen de schande dat ze `Europeanen' zijn, vaak helemaal. En Tony Blair wordt, net als Thatcher vóór hem en Churchill vóór haar, in Washington als een glanzende uitzondering op de Europese regel aangehaald.

Het ergste gescheld wordt gereserveerd voor de Fransen – die natuurlijk zelf ook van wanten weten. Ik had er niet bij stilgestaan hoezeer het oude Engelse tijdverdrijf om op de Fransen af te geven zich in de Amerikaanse volkscultuur heeft verbreid. ,,Tja, Frankrijk, hè, tot twee keer toe hebben we hun hachje gered en nooit doen ze eens wat voor ons,'' zei Verlin `Bud' Atkinson, een veteraan uit de Tweede Wereldoorlog, in het Ameristar-casino in Kansas City tegen me.

We moeten onderscheid maken tussen terechte, doordachte kritiek op de EU of de gangbare Europese opvattingen en een diepere, meer verstokte vijandigheid tegenover Europa en de Europeanen als zodanig. De lastige vraag is: waar loopt de scheidslijn?

Ook moeten we wel gevoel voor humor houden. Eén van de redenen dat de Europeanen graag lachen om president George W. Bush is dat hij af en toe iets leuks zegt – of schijnt te hebben gezegd. Zoals: ,,Het probleem met de Fransen is dat ze geen woord voor entrepreneur hebben.'' Eén van de redenen dat de Amerikanen graag om de Fransen lachen is dat lachen om de Fransen een oude Angelsaksische traditie is – die op zijn minst teruggaat tot Shakespeare. Maar hier zit ook een addertje onder het gras.

Conservatieve schrijvers als Jonah Goldberg en Mark Steyn doen buitensporige uitspraken, deels uitgesproken humoristisch, deels half serieus, deels zeer serieus. Als je bezwaar maakt tegen één van de serieuze uitspraken, kunnen ze altijd antwoorden: `Ik maakte natuurlijk maar een grapje!' Humor werkt door overdrijving en een spel met stereotypen. Maar als een Europese schrijver `de joden' als `laffe matze-eters' zou beschrijven, zou dat dan als humoristisch plagerijtje worden opgevat?

Anti-Europeanisme is niet het spiegelbeeld van anti-Amerikanisme. De emotionele drijfveren van het anti-Amerikanisme zijn wrok vermengd met afgunst; die van het anti-Europeanisme ergernis vermengd met minachting. Het anti-Amerikanisme is voor hele landen een ware obsessie – met name voor Frankrijk. Het anti-Europeanisme is in de verste verte geen Amerikaanse obsessie. De overheersende houding bij het Amerikaanse volk tegenover Europa is er waarschijnlijk eerder één van goedmoedige onverschilligheid vermengd met een indrukwekkende onwetendheid. Ik reisde twee dagen door Kansas en vroeg aan mensen die ik tegenkwam: ,,Als ik `Europa' zeg, waar denkt u dan aan?'' Menigeen reageerde met een lange, verblufte stilte, soms onderbroken door gegiechel. Daarna zeiden ze dingen als ,,Er zal daar wel niet zoveel gejaagd worden'' (Vernon Masqua, timmerman in McLouth); ,,Tja, het is een eind van huis'' (Richard Souza, wiens ouders uit Frankrijk en Portugal kwamen); of, na een heel lange denkpauze: ,,Tja, het is een heel eind over de plas'' (Jack Weishaar, een bejaarde boer van Duitse afkomst). Als je `Amerika' zou zeggen tegen een boer of timmerman in zelfs het verste dorp in Andalusië of Roethenië, dan kun je ervan op aan dat hij daar heel wat meer over te zeggen zou hebben.

In Boston, New York en Washington – `de Bos-Wash-strook' – kreeg ik herhaaldelijk te horen dat zelfs mensen die Europa goed kennen sinds het einde van de Koude Oorlog, steeds onverschilliger voor dat continent zijn geworden. Europa wordt niet gezien als een machtige bondgenoot maar ook niet als een mogelijke ernstige rivaal, zoals China. ,,Het is een bejaardenhuis!'' zei een Amerikaanse vriend die heeft schoolgegaan en gestudeerd in Engeland. Zoals de conservatieve commentator Tucker Carlson in een gedachtewisseling in CNN's Crossfire opmerkte:

,,Wie kan het nou schelen wat de Europeanen vinden. De EU is alleen maar bezig om te zorgen dat de Engelse worst niet in ponden maar in kilo's wordt verkocht. Dat hele continent doet steeds minder terzake voor de Amerikaanse belangen.''

Toen ik een hoge regeringsfunctionaris vroeg wat er zou gebeuren als de Europeanen uit een positie van militaire zwakte kritiek op de VS zouden blijven leveren, was de kern van zijn reactie: ,,Tja, maakt het iets úít?''

Het anti-Amerikanisme en het anti-Europeanisme liggen aan weerskanten van de politieke weegschaal. Het Europese anti-Amerikanisme is voornamelijk links te vinden, het Amerikaanse anti-Europeanisme ligt rechts. Het meest wordt Europa onder vuur genomen door Amerikaanse neoconservatieven, met gebruikmaking van hetzelfde soort krijgshaftige retoriek, dat ze ook altijd tegen vooruitstrevende Amerikanen hebben ingezet. Eigenlijk dienen de `Europeanen', zoals Jonah Goldberg zelf tegen me heeft erkend, ook om alles wat vooruitstrevend is aan op te hangen. En, vroeg ik hem, was Bill Clinton een Europeaan? ,,Ja'', zei Goldberg, ,,of tenminste: Clinton denkt als een Europeaan.'' Zelfs onder de van oudsher vooruitstrevende `Europeanen' op het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken heerst een wrang gevoel van ontgoocheling over de Europeanen. Een sleutelrol in die ontgoocheling speelde het onthutsende verzuim van Europa om in zijn eigen achtertuin de volkerenmoord op een kwart miljoen Bosnische moslims te verhinderen. Sindsdien weet Europa almaar geen `orde op zaken te stellen' in zijn buitenlands- en veiligheidsbeleid, zodat zelfs een geschil tussen Spanje en Marokko over een onbewoond eilandje voor de Marokkaanse kust door Colin Powell moet worden opgelost.

,,Ze zijn niet serieus'', was het bondige oordeel over de `Europeanen' dat George F. Will tegen mij uitsprak tijdens een deftig ontbijt in een hotel in Washington. Weliswaar is Will bepaald geen vooruitstrevend man op Buitenlandse Zaken, maar menigeen op dat ministerie zou het met hem eens zijn. Historisch gezien zijn de rollen omgedraaid. Want wat was het oordeel van Charles de Gaulle over de Amerikanen? ,,Ils ne sont pas sérieux.''

Er heerst in belangrijke sectoren van het Amerikaanse leven dus een ontgoocheling en ergernis over Europa, een groeiende minachting en zelfs een vijandigheid tegenover `de Europeanen' die in uiterste instantie het etiket `anti-Europeanisme' verdient. Hoe is dat zo gekomen?

Een aantal mogelijke verklaringen is al naar voren gekomen. Er is in de Verenigde Staten altijd een sterke stroming van anti-Europeanisme geweest. ,,Amerika is ontstaan als tegengif voor Europa'', heeft Michael Kelly, oud-redacteur van The Atlantic Monthly, eens opgemerkt. ,,Waarom zouden we ons lot verweven met dat van enig deel van Europa'', vroeg George Washington in zijn afscheidsrede, ,,en zo onze vrede en voorspoed verbinden met de listen en lagen van de Europese ambitie, wedijver, belangen, buien of grillen?'' Voor miljoenen Amerikanen in de negentiende en twintigste eeuw was Europa de plek die je ontvluchtte.

Toch bleef Europa ook voortdurend boeien, getuige bijvoorbeeld de befaamde weergave door Henry James; het verlangen om in veel opzichten vooral twee Europese landen, Engeland en Frankrijk, te evenaren en daarna voorbij te streven. Arthur Schlesinger jr. haalde de oude regel voor me aan: ,,Als Amerikanen sterven, gaan ze naar Parijs.'' ,,Ieder mens heeft twee landen'', zei Thomas Jefferson, ,,zijn eigen land en Frankrijk.'' Op welk moment is de Amerikaanse houding tegenover Engeland en Frankrijk zo sterk uiteen gaan lopen? Was dat in 1940, het jaar van l'étrange défaite van Frankrijk en het finest hour van Engeland? Nadien hervond De Gaulle het Franse zelfrespect door zich te verzetten tegen de Amerikanen, terwijl Churchill een `speciale band' tussen de twee landen van zijn ouders smeedde. (Om de huidige benadering van de VS door Chirac en Blair te begrijpen zijn de belangrijkste namen nog altijd De Gaulle en Churchill.)

Vijftig jaar lang, van 1941 tot 1991, waren de Verenigde Staten en een groeiend verbond van Europeanen verwikkeld in een gezamenlijke oorlog tegen een gemeenschappelijke vijand: eerst het nazisme, toen het Sovjet-communisme. Dat was het hoogtij van het geopolitieke `Westen'. Natuurlijk waren er de hele Koude Oorlog herhaaldelijk transatlantische spanningen. Een aantal van de huidige stereotypen is ontstaan door de onenigheid over de plaatsing van kruis- en Pershing-raketten begin jaren tachtig en de Amerikaanse buitenlandse politiek inzake Midden-Amerika en Israël. Ze zijn ontstaan in het hoofd van een paar dezelfde mensen: Richard Perle bijvoorbeeld, die indertijd wegens zijn havikenstandpunten alom als de `prins der duisternis' bekend stond. Deze transatlantische meningsverschillen gingen vaak over de aanpak van de Sovjet-Unie, maar ze bleven door die duidelijke en gemeenschappelijke vijand uiteindelijk ook binnen de perken.

Die tijd is voorbij. Misschien zijn we dus wel getuige van iets wat de Australische schrijver Owen Harries bijna tien jaar geleden voorzag in een artikel in Foreign Affairs: de ondergang van het `Westen' als stevige geopolitieke as door de verdwijning van die duidelijke en gemeenschappelijke vijand. Europa was het voornaamste toneel van de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog; het is niet het middelpunt van de `oorlog tegen het terrorisme'. De kloof in relatieve macht is verbreed. De Verenigde Staten zijn niet alleen de enige grote mogendheid ter wereld; ze zijn een hypermacht, die binnenkort een even hoge militaire begroting zal hebben als de vijftien volgende machtigste landen bij elkaar. De EU heeft haar vergelijkbare economische kracht – die snel de 10 biljoen dollar van de Amerikaanse economie nadert – niet vertaald in een vergelijkbare militaire macht of diplomatieke invloed. Maar de geschillen gaan ook over het gebruik van macht.

Robert Kagan stelt dat Europa zich heeft begeven in een Kantiaanse wereld van ,,wetten en regels en internationale onderhandelingen en samenwerking'', terwijl de Verenigde Staten nog altijd in een wereld à la Hobbes verkeren, waar militaire macht de sleutel blijft tot de verwezenlijking van internationale doelen (zelfs vooruitstrevende). De eerste en vanzelfsprekende vraag moet zijn: is dat zo? Ook al spreekt Kagan zelf van een `karikatuur', ik denk dat hij eigenlijk nog te mild is voor Europa, in die zin dat hij iets tot een bewuste, samenhangende benadering verheft wat in feite een verhaal van een verwarde zoektocht en van nationale meningsverschillen is. Maar een tweede, minder vanzelfsprekende vraag is: wíllen de Europeanen en Amerikanen dat het zo is? Het antwoord lijkt ja te zijn. Heel wat Amerikaanse beleidsmakers vinden het wel prettig dat ze van Mars komen – mits ze daar tenminste `martiaal' van worden – terwijl heel wat Europese beleidsmakers inderdaad liever een programma van Venus volgen. Zo vloeit de ontvangst van Kagans stelling deels uit haar eigen inhoud voort.

Terwijl een binnenkort uit te breiden Europese Unie op zoek is naar een duidelijker identiteit, is voor Europa de verleiding groot om zich af te zetten tegen de Verenigde Staten. Europa verheldert zijn zelfbeeld door op te sommen waarin het van Amerika verschilt. In het gruweljargon van de identiteitsstudies wordt Amerika de Ander. Amerikanen worden niet graag de Ander. (Wie wel?) Het effect van de terreuraanslagen van 11 september 2001 verhoogt hun eigen bereidheid om een martiale en missionaire versie van Amerika's rol in de wereld te aanvaarden.

Stanley Hoffmann heeft opgemerkt dat Frankrijk en de Verenigde Staten zich allebei beschouwen als landen met een universele beschavingsmissie. Nu is er een Europese – veeleer dan alleen Franse – versie van de mission civilisatrice, een `EU-topia' van internationale integratie op basis van wetgeving, en die botst enorm met de jongste, conservatieve versie van een Amerikaanse missie. Zo citeert Jonah Goldberg bijvoorbeeld geërgerd de stelling van de oude Duitse atlanticus Karl Kaiser dat ,,de Europeanen iets hebben gedaan wat nog nooit iemand heeft gedaan: ze hebben een vredesgebied gevormd waar oorlog uitgesloten is, absoluut uitgesloten. De Europeanen zijn ervan overtuigd dat dit model ook in andere delen van de wereld zal werken.''

Beide partijen vinden hun model beter. Dat geldt niet alleen voor de concurrerende modellen van internationaal gedrag, maar ook voor die van het democratisch kapitalisme: de verschillende mengvormen van vrije markt en verzorgingsstaat, van individuele vrijheid en sociale solidariteit, enzovoorts. Voor de politicoloog Charles A. Kupchan, schrijver van het pas verschenen The End of the American Era, is dit niets minder dan de voorbode van een komende `botsing van beschavingen' tussen Europa en Amerika. Terwijl Kagan vindt dat Europa door blijvende zwakte wordt gekenmerkt, ziet Kupchan niet China maar Europa als de volgende grote rivaal van de Verenigde Staten. Veel Europeanen zouden dat graag geloven, maar in de Verenigde Staten merkte ik dat Kupchan in zijn mening vrijwel alleen staat.

Er is nog een andere, diepere tendens in de VS. Ik zei al dat de Amerikaanse argwaan tegenover Europa gedurende het merendeel van de negentiende en twintigste eeuw vermengd was met bewondering en fascinatie. Er bestond, grof gesteld, een Amerikaans cultureel minderwaardigheidscomplex. Dat is langzaamaan verdwenen. Die verdwijning is versneld – al is niet zo eenvoudig te zeggen hoe precies – door het einde van de Koude Oorlog en de unieke hoogte waartoe de Verenigde Staten daarna zijn gestegen. Het nieuwe Rome voelt geen ontzag meer voor de oude Grieken. ,,Toen ik in de jaren veertig en vijftig voor het eerst naar Europa ging, was Europa superieur aan ons'', schreef een gepensioneerde Amerikaanse diplomaat met langdurige Europese ervaring me laatst. ,,Die superioriteit was niet persoonlijk – zelfs door neerbuigende mensen heb ik me nooit vernederd gevoeld – maar een kwestie van beschaving.'' Die tijd is voorbij. Amerika, schreef hij, ,,is niet meer verlegen''.

Na het einde van de Koude Oorlog werden al deze tendensen acht jaar lang ietwat verdoezeld door de aanwezigheid in het Witte Huis van een ere-Europeaan, Bill Clinton. In 2001 werd het Witte Huis betrokken door George W. Bush, een wandelend geschenk voor elke Europese anti-Amerikaanse cartoonist, met een eenzijdige agenda en de bereidheid een aantal internationale overeenkomsten overboord te zetten. Na 11 september 2001 schetste hij zijn nieuwe presidentschap als een oorlogspresidentschap.

Het gevoel van na 11 september dat Amerika in oorlog is, leeft sterker voort in Washington dan waar ook in Amerika, met inbegrip van New York. Het leeft vooral voort in het hart van de regering-Bush. De `oorlog tegen het terrorisme' heeft geleid tot een versterking van een bestaande neiging onder de Republikeinse elite om te geloven in `krijgsmanspolitiek' (om met Robert Kaplan te spreken), sterk gekruid met fundamentalistisch christendom – iets wat opvallend afwezig is in het sterk geseculariseerde Europa.

De Amerikaanse vraag aan de Europeanen werd vervolgens, zoals de conservatieve columnist Charles Krauthammer het tegen mij verwoordde: ,,Gaan jullie met ons de loopgraven in of niet?'' Aanvankelijk was het antwoord een klinkend `ja'. Iedereen citeert de kop uit Le Monde: `Nous sommes tous des Américains.' Maar anderhalf jaar later is de enige Europese leider die volgens de meeste Amerikanen de loopgraven met hen ingaat, Tony Blair. Velen in Washington vinden dat de Fransen weer zijn vervallen in hun oude anti-Amerikaanse houding en dat de Duitse kanselier Gerhard Schröder zich afgelopen september heeft laten herverkiezen door cynisch op het anti-Amerikanisme in te spelen.

Wanneer en waar begonnen de Europese en Amerikaanse gevoelens opnieuw uiteen te lopen? Begin 2002, met de escalatie van het Israëlisch-Palestijnse conflict in het Midden-Oosten. Het Midden-Oosten is tegelijk een bron en een katalysator van een dreigende neerwaartse spiraal van een uitbottend Europees anti-Amerikanisme en een ontluikend Amerikaans anti-Europeanisme, die elkaar onderling versterken. Conservatieve Amerikaanse columnisten en politici wijden de zuurste anti-Europese commentaren aan het antisemitisme in Europa en het vermeende verband dat dit houdt met de Europese kritiek op de regering-Sharon. Een aantal van deze critici is zelf niet alleen sterk pro-Israël maar ook nog eens ,,van huis uit Likud-aanhanger'', zoals een liberaal-joodse commentator me uitlegde. Laatst schreef Stanley Hoffmann in een artikel dat zij lijken te geloven in ,,de volstrekte gelijkenis tussen de belangen van de joodse staat en de Verenigde Staten''. Pro-Palestijnse Europeanen, woedend over het antisemitische etiket dat kritiek op Sharon krijgt opgeplakt, praten over de macht van een `joodse lobby' in de VS, wat dan weer de ergste vermoedens van Europees antisemitisme bij de Amerikaanse Likud-aanhang bevestigt, en zo voort en zo verder.

Naast deze hopeloze kluwen van elkaar versterkende vooroordelen zijn er ook nog echte Europees-Amerikaanse verschillen in de benadering van het Midden-Oosten. Zo zijn bijvoorbeeld Europese beleidsmakers in het algemeen van mening dat een vredesregeling voor het Israëlisch-Palestijnse conflict op den duur een grotere bijdrage tot het welslagen van de `oorlog tegen het terrorisme' zal leveren dan een oorlog met Irak. Terwijl de Koude Oorlog tegen het communisme in Midden-Europa Amerika en Europa bij elkaar bracht, drijft de `oorlog tegen het terrorisme' in het Midden-Oosten hen uiteen. De Sovjet-Unie verenigde het westen, het Midden-Oosten verdeelt het.

Nuchter bekeken is zo'n verdeeldheid buitengewoon dom. Europa, om de hoek en met een grote, groeiende islamitische bevolking, heeft een nog rechtstreekser wezenlijk belang bij een vreedzaam, welvarend en democratisch Midden-Oosten dan de Verenigde Staten. Bovendien heb ik gemerkt dat twee hoge regeringsfunctionarissen in Washington vrij ontvankelijk waren voor het argument – dat inmiddels door een aantal Amerikaanse commentatoren wordt aangevoerd – dat de democratisering van het hele Midden-Oosten het grote nieuwe transatlantische project voor het herleefde westen zou moeten zijn. Maar daar ziet het op dit moment nog niet naar uit.

Op het ogenblik bestaat de indruk dat een tweede Golfoorlog de kloof tussen Europa en Amerika alleen maar zal verbreden. Ook als er geen oorlog met Irak komt, kan het Midden-Oosten nog de maalstroom bieden waarin echt of vermeend Europees anti-Amerikanisme wordt versterkt door echt of vermeend Amerikaans anti-Europeanisme, dat op zijn beurt weer het anti-Amerikanisme versterkt, beide verergerd door drieste verwijten van Europees antisemitisme. Hierin zou misschien verandering kunnen komen door een bewuste grote inspanning aan weerszijden van de Atlantische Oceaan, of door de komst van een nieuwe regering in Washington in 2005 of 2009. Maar intussen kan heel wat schade worden aangericht en is de huidige transatlantische verwijdering ook een uiting van de diepere historische tendensen die ik heb aangeroerd.

U zou kunnen zeggen dat een belichting van het `Amerikaanse anti-Europeanisme' zelf zal bijdragen tot de neerwaartse spiraal van onderling wantrouwen. Maar schrijvers zijn geen diplomaten. Het Amerikaanse anti-Europeanisme bestaat; en de boodschappers ervan zijn misschien wel de eerste zwaluwen van een lange, nare zomer.

Timothy Garton Ash is schrijver en fellow van het St. Anthony's College in Oxford.

© The New York Review of Books