Beek -Tolkamer

Joyce Roodnat loopt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week van Montferland naar de Rijn.

Er glanst een dun laagje wit over takken, zand, dorre bladeren, mos en gras in het erg oude Bergherbos. Het wit dekt niet af, het trekt open. Als lapjes ingenieus gekloste Brusselse kant koesteren ijs en sneeuw zich in zonnestralen die bungeejumpen tussen de hoge stammen van de zilversparren. Paden voeren rechttoe rechtaan heuvel op heuvel af, vooral dalen gaat glijerig, elke stap voelt als een dreuntje. Vanaf de verre autoweg zoemt het wat, merels zijn laag bij de grond in de weer, hippend op omzichtige pootjes onder opgebolde lijven. Sneeuwt het nu? Nee, dat gepoeder valt niet, dat waait op en af.

Het gezoem wordt geraas, dreigend megafoon-gebrul schalt voorbij. Daar is die A3 dan, die moeten we over. Met een brug, mooi zo: lekker gevoel geeft dat, de vlagen tocht van onder je door razende auto's. Op het viaduct beweert een bord met de silhouetten van een tank en een truck: `Dienstweg. Kein durchgang'. Ha. We zijn in Duitsland. De enorme boerderij die we even voor het dorp passeerden zou als plaatje bij een sprookje van Grimm kunnen dienen: gehurkt onder hun daken rusten twee rustiek vervallen gebouwen tegenover elkaar – uit de kerstkrans aan de deur van het ene kun je afleiden dat dat dus niet de schuur is. We belanden in een kuiergebiedje in de schaduw van de hoge kerk van het stadje Elten. Telkens groet ik keurig in het Duits maar ik krijg antwoord in het Nederlands en op de uitspanning staat `Pannekoekhuys'.

Door een tunneltje keren we terug in Nederland, en dat is het begin van een stuk wandelcorvee langs eindeloos asfalt, met saaie akkergrond als uitzicht. Wie daar rijdt, doet dat meestal met een four-wheel drive en met rond de honderd kilometer per uur, dus er moet in de verijsde berm gelopen worden. Man heeft er tabak van, hij gaat zich haasten, met bijna-valpartijen tot gevolg húp! daar omhelst hij alwéér een vreemde lantaarnpaal. In het dorp Spijk krijg ik weer goede zin, in een schemerig café met klaverjassende clientèle. Een gipsen Lara Croft houdt de wacht, de prijzen, cassettes met bestek, bossen bloemen, staan op het biljart, aan de tafels wordt zogenaamd achteloos opgegooid en ik krijg te horen dat er tot uit Den Haag mensen komen, want het is hier goed kaarten en gezellig. Ben ik het mee eens, maar we moeten verder. Naar de dijk, naar de Rijn. Nu beginnen er scherpe vlokken te vallen, het zijn er veel en ze worden opgezweept door harde wind. De rivier wordt melkblauw als doorweekte sneeuw, de lange vrachtschepen hoor je eerst, pas dan doemen ze op. Schuin omlaag hangt over de dijk de transportkoker van een steenfabriek, hijskranen en zandhopen aan de oever, het oude gebarsten fabrieksgebouw aan de landzijde. Uit het kreupelhout langs de parkeerplaats van die fabriek met zijn kapotte ruiten maakt zich een reebok los. Het is groot en het hopst kalm weg, de hals trots genegen, het rechtlijnige gewei duellerend met de sneeuwval. Hij is de directeur, wij zijn voetvolk.

15 km. Kaarten 8 t/m 11 uit T. Goorhuis-Tjalsma & B. Jens: Pieterpad-traject II. Uitg. NIVON. Tel. taxi 0316 333 330.