Ander hoofd

In het katern Wetenschap & Onderwijs van 1/2 februari schrijft Hendrik Spiering onder de kop 'Ander hoofd' over hersenonderzoek naar ADHD. Deze stoornis zit in de hersenen, besluit Spiering al snel, en zij blijkt samen te gaan met `hersenstructuren' van een kleiner dan gemiddelde omvang. Nu is dat op zichzelf nog niet zo opzienbarend. Doorslaggevend is de vraag of de waargenomen hersenafwijkingen de oorzaak van hyperactief gedrag zijn. Pas aan het slot komt Spiering met alternatieve verklaringen: misschien zijn de gevonden hersenafwijkingen het gevolg van ADHD of van de medicijnen daartegen. Dat is wat laat: eerst moeten we als lezer al die informatie over de afmeting van hersenstructuren verstouwen, voordat deze fundamentele kwestie aan de orde komt.

Wetenschapsjournalisten (en lezers, mogen we aannemen) zijn gefascineerd door biologische verklaringen van gedrag: biologisch onderzoek heeft de wind mee en wordt breed uitgemeten in de kranten, waarbij de vraag of dat onderzoek nu eigenlijk wel zo veelzeggend is onder tafel verdwijnt. Vaak wordt hierbij demagogie niet geschuwd. Zo schrijft Spiering in de eerste zin `De erfelijkheid van ADHD is ongeveer 80%, zo blijkt uit tweelingonderzoek.' Aha, denkt de lezer, dus 4/5e deel van het gedrag is erfelijke aanleg en omgeving verklaart slechts 1/5e deel.

Deze voorstelling van zaken is niet zozeer onjuist als wel onvolledig en daarom misleidend. De percentages staan slechts voor de hoeveelheid verklaarde varia(n)tie in het gedrag en zeggen niets over het gemiddelde. Anders gezegd: die 80% erfelijkheid slaat alleen op de verschillen in ADHD tussen kinderen en houdt geen verband met het gemiddelde ADHD-niveau van deze kinderen. Dat ADHD een paar decennia geleden als uit het niets is opgekomen, geeft weinig aanleiding om te veronderstellen dat er specifieke aanleg of erfelijkheid in het spel is. De gemiddelde hoeveelheid hyperactiviteit onder kinderen is dan ook zo goed als zeker te wijten aan omgevingsfactoren, net als bij hun gemiddelde intelligentieniveau of hun lichaamslengte het geval is. Al die grootheden (ADHD, IQ-scores, lengte) vertonen van generatie op generatie sterke progressie en die verhoging van gemiddelden heeft niets van doen met het percentage erfelijkheid dat gevonden wordt in tweelingonderzoek.

Ook de tweede zin is zeer misleidend: dat zusjes en broertjes van een ADHD'ertje vergelijkenderwijs meer kans maken op ADHD is geenszins een duidelijke aanwijzing voor een belangrijke biologische basis van deze afwijking, zoals Spiering beweert. De meeste zusjes en broertjes groeien op in dezelfde omgeving en krijgen ongeveer dezelfde voeding en opvoeding. Dat hun hersenstructuren overeenkomen in hun (afwijkende) omvang, hoeft dus niet op een specifieke genetische aanleg te wijzen.

Met die eerste twee zinnen is de toon gezet en wordt de lezer rijp gemaakt voor een nieuw bombardement van biologische `feiten'.