Zelfportret als broer

In Reigers in Caïro, de verhalenbundel waarmee Rashid Novaire in 1999 op negentienjarige leeftijd debuteerde, staat een prachtig kort verhaal over een vader en een zoon die iedere zondag uit vissen gaan in het Amsterdamse bos. Na drie jaar zegt de zoon: `Ik wil wel eens naar de vogeltjesmarkt'. De wereld van de vader stort in: hij meende een zwijgende verstandhouding met zijn kind te hebben, rustend op het fundament van hun zondagse visroutine. Nu blijkt dat waar hij dacht dat zij met z'n tweeën aan een half woord genoeg hadden, er in werkelijkheid een misverstand bestond. Zijn zoon wil liever niet vissen. Om de jongen de achtergrond van hun viszondagen uit te leggen, vertelt hij hem sterke verhalen over zijn eigen vader. Bijvoorbeeld de anekdote hoe die, werkend als pianist, aangesteld op een boot in het Kattegat, zo mooi speelde dat een meisje in de golven verdween. `Ja, jouw grootvader heeft mythes gebaard', constateert de vader aan de Bosbaan. Waar het zwijgend vissen de band tussen vader en zoon niet kon smeden, moeten verhalen dat doen.

Novaire, zoon van een Marokkaanse vader en een Nederlandse moeder, is een schrijver die wordt gefascineerd door de werking van verhalen: waarom worden ze verteld, hoe beïnvloeden de verhalen de luisteraar en wat betekenen ze voor de verteller. Waar in het verhaal uit Reigers in Caïro de vissende man zijn eigen vader door gemythologiseerde verhalen naar het Amsterdamse Bos trachtte te brengen, probeert de hoofdpersoon van Novaires nieuwe roman Maïsroest zijn in Bohemen vermoorde broer terug te halen naar het heden. Dat heden van de roman is overigens alweer vervlogen, de gebeurtenissen spelen zich zo'n honderd jaar geleden af.

De twee broers om wie het in Maïsroest draait, zijn Gerben en Dito Keep. Dat de liefde tussen deze twee zoons van de directeur van de Duinwatermaatschappij nooit tot wasdom is gekomen, blijkt uit de beginzin van het boek: `Ik hield niet van mijn broer. Houden van, is het niet een plek waar het verlangde en het zichbare even samenkomen?' Dito, de jongste broer, schrijft die zinnen in 1912, als hij eenmaal een volwassen en getrouwde journalist is – met kinderen. Er zijn dan dertien jaren verstreken sinds hij een onheilstelegram ontving: `Ihr Bruder Kerben ist ermordet worden, gefunden im Maisfeld'. Dito wil het laatste levensjaar van zijn broer reconstrueren: van diens vertrek naar Bohemen (om met arbeiders op het land te werken) tot het moment van de moord. Door het vertellen van dat verhaal wil hij bovendien vat krijgen op zijn eigen belevenissen in die periode.

Dat de twee broers hemelsbreed van elkaar verschillen wordt snel duidelijk: Dito is een in zichzelf gekeerde jongen, die het liefst vrouwenkleren aantrekt. Hij is al jong misbruikt door een zoöloog die hem bijles moest geven, waarna hij zich, overladen met schuldgevoel, in de wereld van de mannelijke prostitutie heeft begeven. Ook is hij tweemaal op een `streng bewaakte afdeling' behandeld. Hij wil schilder worden en gaat dus in de leer bij de schilderes Suze Robertson, die hem probeert duidelijk te maken hoe hij moet schilderen: `Ik wil dat je een bloemstuk schildert zoals iemand het zich herinnert nadat hij de kamer is uit gegaan. Ik wil een zelfportret door een bloemstuk'. De opdracht loopt op niets uit, Dito heeft geen talent.

Schimmelziekte

Gerben, de oudste broer, is anders. `Het is nu eenmaal mijn natuur om bij tijd en wijle de omgeving wat angst aan te jagen en daar krijg ik dan ook reacties op.' Hij verzet zich tegen zijn rijke ouders, ziet zichzelf liever als een `Amsterdamse straatjongen' en trekt zo rond zijn twintigste naar Bohemen om daar tussen de arbeiders te werken. Arme, ongeschoolde mensen die extra geplaagd worden door de schimmelziekte `Maïsroest', die de gewassen aan dreigt te tasten voordat ze volgroeid zijn. Zijn broertje zou hij het liefst een schop onder de kont geven: `Ik heb er het volste vertrouwen is dat jij door hard studeren je neuroses en zwakheden overwint.'

In Maïsroest worden Dito's herinneringen aan de perspectiefloze leertijd bij de schilderes afgewisseld met de reconstructie die hij maakt van Gerbens buitenlandse avontuur: Gerben belandt in een dorp waar hij onderdak vindt bij een zekere Nikolaj, een oude man en de enige in de omgeving die Duits spreekt. De gevaarlijkste man uit het dorp is de woesteling György, die zijn vrouw mishandelt en zijn twaalfjarige dochtertje Mila doodsbang maakt. In de verhouding tussen die mensen komt Gerben klem te zitten, wat leidt tot zijn dood.

Geheel in lijn met zijn karakter vertelt Dito het verhaal met zoekende, tastende formuleringen: veel `misschien', veel `denk ik', veel vraagtekens. Die werken soms op de zenuwen van de lezer, zoals ook de hier en daar al te uitgebreide psychologische uitleg: `Deze man verdient de woede van Gerben niet, maar dat besef maakt hem enkel nog kwader want het lijkt of hij dicht bij het antwoord is op vele doffe, boze, vragen'. Elders levert de voorzichtigheid van de verteller juist mooie scènes op, bijvoorbeeld als Gerben in de trein ruzie uitlokt met een boerenjongen: `Vechten wil Gerben niet, liever wil hij weten hoe het is om uit een traag rijdende trein te springen.' Of in de moeizame gesprekken tussen Gerben en de oude Nikolaj, waarbij de Hollandse jongen maar niet kan besluiten of hij vrienden met de oude man wil zijn of juist niet.

In de loop van het verhaal gaan de broers steeds meer op elkaar lijken: Gerben blijkt van binnen zachtmoediger dan gedacht en sterft als een onschuldige, die per vergissing door de dorpsbewoners wordt opgejaagd. De overeenkomsten worden door Dito met graagte benadrukt. Geleidelijk wordt duidelijk hoe letterlijk je de formulering moet nemen uit het begin van het boek, waarin Dito zich voorneemt op `mijn wijze' het verhaal van zijn broer te reconstrueren: `Met meer hoop dan de werkelijkheid doorgaans toestaat'. Want wat Dito aan het eind van het boek heeft gedaan, is zo ongeveer een complete nieuwe broer verzinnen, bijna naar zijn evenbeeld.

Verbeelding

Daarmee heeft Dito de opdracht van zijn lerares toch uitgevoerd, zij het met woorden in plaats van verf en met zijn dode broer in plaats van een bloemstuk. Doordat Gerben op die manier aan het eind van Maïsroest nagenoeg in Dito `verdwijnt' – hij kan hem net niet helemaal verzonnen hebben – wordt wat een verhaal over twee broers leek te zijn, een verhaal over de kracht van de verbeelding: met Dito is het immers goedgekomen, hij reconstrueert het verhaal tien jaar later vanaf een krantenredactie, niet vanuit het gekkenhuis.

Rashid Novaire heeft de sfeer van de verhalen uit zijn debuutbundel vast weten te houden en zijn ideeën in Maïsroest uitgediept. Dat was het vervolg waarop je na Reigers in Caïro zou hopen. Bovendien toont hij dat hij in staat is om in weinig woorden veel impliciet duidelijk te maken. Daartegenover staat dat Novaire zich van dat vermogen niet altijd bewust lijkt: te vaak legt hij expliciet uit wat hij eerder impliciet al heeft duidelijk gemaakt, zo bevat Maïsroest te veel hints over de mate waarin Dito de wederwaardigheden van zijn broer heeft verzonnen en eindigt het boek met een overbodige `epiloog'. Maar een jonge schrijver die zijn talent nog lijkt te onderschatten, dat is een zwakte waar je als lezer eigenlijk alleen maar blij van kunt worden.

Rashid Novaire: Maïsroest. De Geus, 128 blz. €13,90

    • Arjen Fortuin