Verleiding op straat

In Utrecht komt de mode van de catwalk af, de winkeletalages in. Wie in de natte sneeuw nog weet te verleiden, mag zichzelf een meester noemen.

`Zo, hàllo! Zit niet zo te staren, man!' Ik kijk op van mijn bord in de stationsrestauratie van Utrecht Centraal Station en ontmoet zes lachende ogen van drie ketende vrienden. Gesis. Gepor. Gegrom. Ik heb sjans. Het kan verkeren. Soms tut je je enorm op en suis je vervolgens de hele dag als onopgemerkte schim door het openbare leven, soms schiet je snel een oud, maar betrouwbaar vest aan, propt je haar in een door kritische familieleden al lang geleden taboe verklaarde knoet, alles voor het handig en weersbestendig, en dan dit. Verleidelijkheid is een raadsel. Zodra je het nastreeft, ontglipt het je, lijkt het wel.

Wie gaat werken in de mode, maakt van dat raadsel zijn beroep. Een ontwerper verleidt zijn klanten tot verleiden – op zijn voorwaarden. Ik ken het geheim, fluistert hij de open vrouwenmonden voor zijn winkelruit, zijn catwalk of zijn advertentie toe; ìk weet hoe het moet, verleiden. Doe zoals ik zeg en er is geen kunst meer aan. Het zal vanzelf gaan.

Voor de expositie De Verleiding op Straat daagde het Centraal Museum 28 Nederlandse mode-ontwerpers, stylisten, fotografen en kunstenaars uit om hun kunsten te tonen. Niet aan het speciaal afgerichte, welgezinde modepubliek, maar aan iedereen. Niet in een kunstig uitgelichte zaal, maar gewoon op de stoep van de Oudegracht, tussen McDonald's en Didi Damesmode en skateshops en antiquairs. Dag en nacht, bij weer of geen weer – tijdens mijn wandeling langs de etalages is het guur, en ergens halverwege begint het nat te sneeuwen. Wie in dit decor nog weet te verleiden, mag zichzelf een meester noemen.

Ronald van der Kemp is zo'n meester. Hij zette een lange, zwoele rock-mevrouw tussen de fel gekleurde gitaren en versterkers van muziekwinkel Stand-by. De mevrouw is geheel in het zwart, met lange laarzen en een net niet ordinaire wintertrui met leren stiksels op de boezem. Een vreemd zwart pruikje maakt haar af. Ze past daar. Saskia van Drimmelen kleedde een pop in een prachtig afgewerkt, leren broekpak in het hemelse blauw van het Albert Heijn-logo. Albert Heijn was haar goed gezind, en maakte een van twee etalageruiten voor haar vrij. Naast de pop hangen drie televisieschermen waarop Van Drimmelens robuuste vrouwenkleren bij bosjes voorbijkomen, er staan wat tl-buizen, en de rest is afgeplakt. Een oude man met een tas vol eten blijft er even staan, en giechelt. Niels Klavers toont in de etalage van papierwinkel Papicolor op een soort ronddraaiende carrousel een kledingstuk in bloei: een wit, mouwloos bloesje met honderd verborgen plooien bolt langzaam op als een ballon. Hoe boller de ballon, hoe hoger het bloesje – het kruis van de paspop is even zichtbaar, en wordt dan weer toegedekt.

Maar voor de net-nìet ontwerpen, de experimenten die in vakkringen worden toegejuicht maar die daarbuiten vooral vreemd en ondraagbaar schijnen, zijn de gracht en de dag genadeloos. Hamid Ed-dakhissi, een grote modebelofte die al prijzen als de Robijn Fashion Award heeft gewonnen, toont in Galerie Jan van den Linden een pop met een heleboel rollen stof om haar heupen en benen – koket gedrapeerd, dat wel, maar zo in het wild denk je toch: die jurk is nog niet klaar. Het futuristische pak van Mark van Vorstenbos in het raam van edelsmid Jan Scherjon komt kil en zielloos over, met onder een wit colbert een soort gaas dat om de armen, handen, zelfs het hoofd van de draagster gezwachteld zit.

En dan die fotomodellen! Wat ziet de wereld erin? Het kreuk- en wezenloze hoofdje dat wordt bewerkt in een overigens classy filmpje van haarstylist Martin Wentzel, de verveelde tweelingen in de aaneengenaaide jurken van Elma van Imhoff en Saskia van Santen Kolff, de zeur met een nog net niet helemaal van haar heupen gegleden spijkerbroek bij Jos van Heek – wat hebben deze meisjes in godsnaam, behalve geen puistjes of snorren? Samen in de Elle zijn ze misschien best op hun plaats, maar niet hier. Hier bieden ze troost noch warmte, en de natte sneeuw valt inmiddels met emmers tegelijk uit de hemel.

Maar dan, aan het eind van mijn tocht en het begin van de tentoonstelling, volgen als toetje nog een paar ras-verleidsters. Eerst de dame in de etalage van Wijnkoperij Henri Bloem, die in een duur, wanstaltig interieur vol bruintinten op een tafeltje zit en wijst naar haar foto aan de muur: dat is ze ook, in haar blootje. Fotografe Edel Verzijl toont drie prachtige foto's bij sieradenwinkel 't Oortje: een moeder, dochter en kleindochter, allemaal monumentale Madonna's, wier corpulente schoonheid sierlijk wordt omlijst door een openvallende plissé-jurk of, zoals bij oma, een jarretel. Een beetje echte erotiek is er ook. Verzamelaar Han Ruyters exposeert in zijn winkel Groeten Uit voor de duur van De Verleiding op Straat zijn collectie erotische kaarten uit de periode 1890-1940. De dametjes lonken en kirren, zijn rond als tonnetjes en hebben haar tot aan hun billen. Ze dragen helemaal niets.

De Verleiding op Straat. Oudegracht 166-364, Utrecht. T/m 9 maart 2003. Het boekje met toelichting is af te halen bij het Centraal Museum, Utrecht.

`Die fotomodellen! Wat ziet de wereld erin?'