Staatsschuld hoeft helemaal niet in één generatie afgelost

Als marktpartijen bereid blijven staatsobligaties te kopen, kan de staatsschuld rustig worden doorgeschoven, betogen Steven Brakman en Arjen van Witteloostuijn.

Het kan razendsnel verkeren. Nog geen jaar geleden waren integratie, het moslimgevaar, veiligheid, asielzoekers en buitenlanders in het algemeen de dominante verkiezingsthema's. Inmiddels lijkt vooral het oud-politieke vraagstuk van de staatsschuld en het ermee samenhangende financieringstekort het belangrijkste formatiethema te zijn geworden. De klassieke links-midden-rechtstegenstellingen beleven een vertrouwenwekkende comeback. Het is alsof Hans Wiegel weer ten strijde trekt tegen Joop den Uyl, met Dries van Agt in het midden.

Vooral op financieel terrein moeten de partijen het eens moeten zien te worden onder het motto: dan komt de rest vanzelf wel. Met dit traditionele financieel-economische thema kan ook de oude retoriek weer van stal worden gehaald: rentmeesterschap, komende generaties opzadelen met staatsschuld, potverteren, het huishoudboekje in balans brengen – een mêlée van onduidelijkheden, drogredeneringen, misverstanden en onwaarheden, in plaats van lange uitwijdingen over de ins en outs van de overheidsfinanciën.

Wat is eigenlijk het probleem van de staatsschuld? Met veel van de verkiezingsretoriek wordt de plank – doelbewust of uit onwetendheid – volledig misgeslagen. Veel te gemakkelijk wordt een persoonlijke schuld vergeleken met een schuld van de staat. Het verschil tussen een burger en de staat is echter helaas onoverbrugbaar groot. De individuele burger moet leven met de zekerheid dat eens het tijdelijke met het eeuwige wordt verruild, terwijl de staat in theorie het eeuwige leven heeft. Bovendien kan de staat belasting heffen. Dit betekent dat burgers hun schulden nog tijdens hun korte leven moeten aflossen, maar de staat niet.

Als de lopende staatsschuld moet worden afgelost, kan de overheid additionele belastingen heffen of nieuwe schulden aangaan om de oude af te lossen. Op deze manier kan de staatsschuld tot in het oneindige worden doorgeschoven, zolang marktpartijen bereid blijven staatsobligaties te kopen. Aflossen binnen één generatie is daarom volstrekt overbodig. Ook het in christelijke en liberale kringen vaak gebruikte, en meestal misbruikte, argument van het opzadelen van komende generaties met een grote staatsschuld is grotendeels misleidend.

Tegenover de schuld van elke pasgeboren baby (het veelgebruikte liberale voorbeeld) staat immers ook een aanspraak van dezelfde denkbeeldige baby: staatsschuld is namelijk grotendeels een schuld van Nederlanders aan Nederlanders. Tegenover de schulden staan even grote vorderingen. Slechts een klein deel van de staatsschuld is in buitenlandse handen. Bovendien kan het argument van inter-generationele schuldenuitwisseling met even groot gemak worden omgedraaid.

Komende generaties hebben immers ook een verplichting tegenover de huidige bevolking. Onze erfenis aan de komende generaties bestaat uit een gezondheidszorg, infrastructuur, onderwijssysteem en nog veel meer mooie zaken waar grote delen van de wereld stinkend jaloers op zijn, hoeveel kritiek de modern-mondige polderburger daarop ook heeft. Wij investeren bijvoorbeeld in medisch onderzoek, waardoor toekomstige generaties niet hoeven te lijden aan ziektes waar wij vandaag nog geen oplossing voor weten. Het is daarom niet onredelijk om komende generaties een vergoeding voor onze inspanningen te vragen in de vorm van wat extra belastingen straks om de door ons aangegane schulden af te lossen.

Het moge duidelijk zijn: veel verkiezingsblabla over de noodzaak om de staatsschuld binnen één generatie af te lossen is regelrechte flauwekul.

Maar wat zijn dan wél goede redenen om de staatsschuld terug te brengen? Allereerst kan worden gewezen op de vicieuze cirkel van alsmaar oplopende staatsschulden indien de groei van de staatsschuld groter is dan die van het nationale inkomen. Als het financieringstekort (de nieuwe schuld) mede door een hoge rente op de oude staatsschuld een zodanige omvang krijgt dat de staatsschuld als percentage van het nationale inkomen onbeheersbaar toeneemt, worden andere overheidsuitgaven verdrongen. Op het moment is hierechter helemaal geen sprake van. De rente is laag, en het financieringstekort is nog altijd niet hoog.

Een ander mogeljk valide argument is dat waakzaamheid is geboden omdat financieringstekorten een rente-opdrijvend effect hebben. De schatting is dat een toeneming van het financieringstekort met één procent de rente op den duur met ongeveer een halve procent zal verhogen. De Maastricht-criteria zijn mede bedoeld om de Euro-landen tegen deze rente-opjaging te beschermen. Echter: de rentestanden zijn inmiddels zover gezakt dat een procentje meer geen zorgen hoeft te baren. Ergo: ook met deze redenering kan de huidige schuldreductie-obsessie niet worden gerechtvaardigd.

Het overblijvende argument heeft te maken met de vergrijzing. Stel dat de economie is verdeeld in twee generaties, een werkende (jonge) generatie en een gepensioneerde (oude) generatie. De jonge generatie betaalt belastingen en (pensioen)premies om de oude generatie te onderhouden. Het maakt hierbij niet uit of het een omslag- of een kapitaaldekkingsstelsel betreft: de actieven betalen in elk stelsel voor de niet-actieven. De eersten doen dit overigens met plezier, omdat zij de toekomstige oudere generatie zijn. Dit systeem werkt prima zolang de economie groeit en elke volgende generatie welvarender is dan de vorige.

Moeilijkheden doemen helaas op zodra de economie in een recessie belandt of als het geboortecijfer afneemt. In principe kan dan uit drie mogelijke oplossingen, of combinaties daarvan, worden gekozen: de (pensioen)uitkeringen worden verlaagd, de belastingen en (pensioen)premies worden verhoogd en/of de pensioenleeftijd wordt opgeschroefd. In het afgelopen decennium hebben wij veel geluk gehad. Door de groei van de economie en de hiermee samenhangende extra inkomsten is het mogelijk gebleken een overschot op de begroting te creëren, waardoor de kosten van de vergrijzing zich nog niet in volle omvang openbaarden.

De hosannatijden zijn inmiddels echter geschiedenis: de mondiale economie blijft in een recessie hangen, de financieringstekorten lopen op en de aandelenbeurzen zijn in elkaar gezakt. De reddende engel lijkt te zijn gevonden voor de staatschuldfobisten: de staatsschuld moet omlaag om de totale belasting- en (pensioen)premiedruk op de toekomstige actieven niet onbeheersbaar groot te laten worden.

Helaas: ook hiertegen valt veel tegen in te brengen. In de eerste plaats wordt met een volledige aflossing van de staatsschuld de bodem onder de financiële markten weggeslagen. Staatsobligaties vormen een onmisbare schakel in de ketting van financiële producten die van de City, het Damrak en Wall Street florerende ondernemingen maken. Een volledige aflossing van de mondiale staatsschulden is daarom vooral een effectieve zelfmoordactie: een kwestie van aflossen tot de dood van de financiële markten erop volgt. Maar zelfs indien wordt gekozen voor een gedeeltelijke aflossing van de staatsschuld, zijn de voorgenomen omvang en het geplande tempo ervan uiterst ongelukkig. Van procyclisch bezuinigen valt weinig economisch heil te verwachten.

Het is veel beter om te investeren in toekomstige groei, waardoor de belasting- en (pensioen)premiedruk vanzelf minder wordt. Het achterblijven van de Nederlandse uitgaven aan onderwijs en onderzoek ten opzichte van wat in het Westerse buitenland gangbaar is, is in deze context een vorm van struisvogelpolitiek waarvoor uiteindelijk een hoge prijs moet worden betaald. Deze constatering is niet nieuw: de poldervariant van de struisvogelspecies staat inmiddels bijna twee decennia met de kop in het zand. Dat leidt op den duur tot verstikking.

Steven Brakman en Arjen van Witteloostuijn zijn als hoogleraar economie verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen en de Katholieke Universiteit Nijmegen respectievelijk de University of Durham en de Rijksuniversiteit Groningen.