Ramey zingt ruim en ronkend maar weinig subtiel

De serie Vocaal in de Grote Zaal van het Concertgebouw heeft als nadeel dat de Grote Zaal vaak erg ruim is voor de tijdens een liedrecital gewenste intimiteit. Voor de Amerikaanse bas-bariton Samuel Ramey is de omvang van een zaal echter nooit een probleem. Ramey bezit een diep ronkend, vaderlijk stentoraal timbre, dat hij in heden en verleden met veel succes benutte voor rollen als Verdi's Attila of Moessorgski's Boris Godoenov en duistere, duivelse types als Mefisto (La Damnation de Faust, Faust en Mefistofele) en Stravinsky's Nick Shadow (The Rakes Progress).

Voor zijn Amsterdamse liedrecital stelde Samuel Ramey een vier eeuwen omspannend programma samen met liederen van Purcell tot de in 1999 overleden componist Paul Bowles. De diversiteit van het gekozen repertoire bood Ramey de kans zijn stem van alle kanten te tonen, maar in het klinkend resultaat werd die mogelijkheid niet optimaal benut. Händel of Ives, Wolf of Mozart – ongeacht het stilistisch raamwerk benaderde Ramey elke noot met een breed uitwaaierend vibrato, waardoor de karakteristieke trekken van de liederen niet erg fijn getekend uitkwamen.

In Ravels Don Quichotte a Dulcinée trof Ramey een op zich aantrekkelijke sfeer, vooral in het temperamentvolle Chanson romanesque. En ook in Charles Ives' bij een rechtstreekse en niet te gepolijste aanpak florerende coxboy-ballade Charlie Rutlage, overtuigde Ramey met zijn warme timbre en zuiver theatraal instinct. In de andere gezongen liederen van Ives, zoals het luchtige en humoristische Sugar in the Cane, werd eveneens de nodige aandacht besteed aan muzikale vrijheden, waar de werken van Wolf (Michelangelo Lieder) en Mozart (Mentre ti lascio, o figlia) in de aanpak van dynamiek en frasering minder kleur- en reliëfrijk gestalte kregen.

Daaraan was deels ongelukkig toeval debet; pianist Warren Jones moest door ziekte afzeggen en werd vervangen door Bengt Forsberg, wiens weinig subtiele spel onder deze omstandigheden vergeeflijk, maar daarom niet minder teleurstellend was. En ondanks de goede momenten in Ives en Ravel was het evenzeer jammer dat Ramey als liedzanger niet over de vocale controle en elasticiteit beschikte om zijn als operazanger zo vaak bejubelde gevoel voor tekst en theater aan te passen bij de eisen en maten van het liedgenre. De intonatie aan het slot van Paul Bowles' They Cannot Stop Death was zodanig troebel, dat onduidelijk bleef of het lied nu in majeur of mineur eindigde – in het licht van de dramaturgie van het lied een ietwat macaber euvel.

Concert: Samuel Ramey (bas-bariton) en Bengt Forsberg (piano). Recital met liederen van Purcell, Händel, Wolf, Mozart, Ravel, Bowles en Ives. Gehoord: 6/2 Concertgebouw, Amsterdam.