Publiek trekken is maar een truc

Net nu de zwaarbevochten en bejubelde nieuwbouw van zijn Van Abbemuseum voltooid is, vertrekt directeur Jan Debbaut naar de Tate Gallery. `Voor het Van Abbe is het ook niet slecht dat ik nu wegga.'

Sensationeel', `majestueus' en `het mooiste museum van Nederland', zijn maar een paar kwalificaties die het nieuwe Van Abbemuseum de afgelopen weken ten deel zijn gevallen. Alsof de hele kunstwereld al jaren op een gebouw als dat van Abel Cahen hadden zitten wachten, zo verheugd waren de reacties na de opening. Critici prezen de prachtige lichtval, de uitgebalanceerde indeling van de zalen. En de bezoekers stroomden toe, in grote getale.

Toch is dit enthousiasme niet de enige reden dat Van Abbedirecteur Jan Debbaut (53) straalt als hij zijn nieuwe directiekamer binnenloopt. Deze week, drie weken na de opening, maakte Debbaut namelijk bekend dat hij in september vertrekt uit Eindhoven naar de Tate Gallery in Londen. Een opmerkelijke manoeuvre, want al sinds zijn aantreden ijverde Debbaut voor deze nieuwbouw. In de praktijk betekende dat voor de directeur ruim een decennium van praten en vechten en lobbyen, met de gemeente Eindhoven, met financiers en vooral met de stichting `Behoud het Van Abbemuseum' die de oorspronkelijke bouwplannen van Cahen dwarsboomde. Al die tijd bleef Debbaut pleiten voor zijn museum, voor meer expositieruimte onder het mom dat `die prachtige collectie van het Van Abbe eindelijk goed getoond moet kunnen worden'. En nu het zover is, gaat Debbaut weg. Hij wordt directeur collecties van de Tate Gallery, een zware post in de vierkoppige directie van het museumconglomeraat dat op dit moment geldt als een van de grootste en belangrijkste ter wereld. Geen wonder dus dat Debbaut straalt, al probeert hij een al te gretige indruk meteen te temperen. ,,Het is heel simpel'', zegt hij. ,,Ik word volgende maand 54. Als ik dit museum echt op poten wil krijgen, met een consistent tentoonstellingsprogramma en alles daar omheen, heb ik daar drie à vier jaar voor nodig. Dan ben ik 58, kom ik nergens meer aan de bak en zit ik hier dus tot mijn pensioen. Dit is gewoon dé kans.''

Wat gaat u precies doen in Londen?

,,Als directeur collecties word ik verantwoordelijk voor alle aankopen, het beheer van de Tate-collectie en de research. Dat betekent dat ik eindverantwoordelijk ben voor iedere aankoop van dat enorme museum, maar ook dat ik ga samenwerken met de beste kunsthistorici uit Cambridge en Oxford – fantastisch! Dat is zo'n intellectuele genoegdoening... Voor het Van Abbe is het ook niet slecht dat ik nu weg ga. Het is goed als hier een jongere directie aan de slag gaat. Ik zeg trouwens bewust `directie', want er mag wel eens gebroken worden met die bezopen Hollandse gewoonte om alleen maar mannelijke museumdirecteuren aan te stellen.''

De afgelopen jaren was het nogal stil rond het Van Abbe. Veel mensen waren ook verbaasd over het feit dat het museum voor de verhuizing ruim anderhalf jaar dicht ging. Was dat niet te lang?

Opgewonden: ,,Dat komt omdat mensen geen idee hebben wat er hier speelde! We hebben een heel nieuw museum opgezet! Toen ik hier kwam, in 1988, had ik tien zalen van Kropholler, een tentoonstellingsprogramma en een collectie die in kisten in de kelder stond. We moesten gewoon een heel museum opbouwen, bijna van de grond toe af. Dát hebben we de afgelopen jaren gedaan. De collectie is beschreven, alles is gecatalogiseerd, gedigitaliseerd, gerestaureerd. We hebben eindelijk een fatsoenlijk educatief programma opgezet. De staf is drie keer zo groot geworden. Dit museum heeft, op de collectie na, helemaal niks meer met het oude te maken! De nieuwbouw was een prachtige periode om dat allemaal te verwezenlijken.''

Met die nieuwbouw bent u uiteindelijk wel meer dan een decennium bezig geweest. Werd het u af en toe niet zwaar te moede? Abel Cahen vertelde dat u tijdens een commissievergadering van kwaadheid zelfs eens in huilen bent uitgebarsten.

,,Dat viel wel mee. Het was ook niet tijdens een commissie. Die emoties hadden te maken met hoe de werkzaamheden verliepen. Abel, die de afgelopen jaren een goede vriend geworden is, heeft een relatief klein bureau. Daar komt bij dat hij een ouderwetse, artisanale bouwer is. Hij wil het liefst alles zelf doen tot en met de deurklinken en het hout van de plinten aan toe - hij zou het hele museum het liefst in z'n eentje hebben neergezet. Zo'n methode botst met die van moderne aannemers. Die hebben geen specialisten meer in dienst, die kopen arbeid per klus in.'' Debbaut wijst naar buiten, waar de 27-meter hoge museumtoren oprijst boven de Dommel. ,,Toen de tegels voor de toren bijvoorbeeld gezet moesten worden, liet de aannemer een ploeg met vijftig tegelzetters uit Portugal komen. Die handelen zo'n klus in een paar weken af. Als Abel dan een week later een tegel scheef ziet zitten, is die bus alweer terug naar Portugal. Nou ja, dat gaf dus problemen. Maar ik zou het niet anders hebben gewild. De intelligente, betrokken manier van bouwen die Abel meebrengt wilde ik, en die heb ik gekregen.''

Het museum is mooi geworden, maar ook wat cerebraal. Dat wordt versterkt door de getoonde werken, die ook vaak ingehouden en subtiel zijn. U toont weinig Pop Art of expressionisme, ook geen 'jonge wilden' als Jeff Koons of Damien Hirst. Is dat een weerspiegeling van uw eigen smaak?

,,Hoe groot dit museum ook is, we kunnen maar tien procent van ons bezit tonen. Met de openingstentoonstelling willen we allereerst laten zien hoe rijk geschakeerd deze collectie is, maar daarbij kunnen we niet alles even veel recht doen. Sommige kunstenaars zoals Anselm Kiefer en Richard Long negeren we nu even. Anderen stippen we aan, op weer anderen gaan we dieper in. Wat dat laatste betreft hebben we voor twee aspecten van de verzameling gekozen: allereerst onze collectie El Lissitzky met zijn context van constructivisme. Anderzijds de drie generaties die ik als directeur heb verzameld.

,,De Belgische collectioneur Anton Herbert zegt altijd dat je als verzamelaar maar drie generaties kunt bevatten: die voor je, die van jezelf, en die na je. Deze tentoonstelling toont bij uitstek 'mijn' drie generaties. Toen ik in 1977 als conservator bij het Van Abbe in dienst kwam, had Rudi Fuchs al een stevige basis gelegd van `zijn' tweede generatie, kunstenaars als Baselitz, Mario Merz, de conceptualisten en expressionisten. Van die generatie heb ik er nog een aantal belangrijke werken kunnen bijkopen. Het Tapis de Sable van Broodthaers, onder andere, het schilderij Subject Matter van John Baldessari, een sleutelwerk in zijn oeuvre, en werk van Cadére, Dibbets en Van Elk. Mijn eigen generatie zie je op de tweede etage. Dat begint met Tony Cragg en René Daniëls en verder zijn dat onder anderen Thomas Schütte, Harald Klingelhöller, Didier Vermeiren en Jan Vercruysse. Op de begane grond zie je mijn `derde generatie'. Jongeren als Aernout Mik, Marijke van Warmerdam, Marc Mulders en Marc Manders en het `virtuele' AnnLee-project. Dat is opgezet door Pierre Huyghe en Philippe Parreno, maar daaraan hebben wel zestien van hun leeftijdsgenoten deelgenomen. Dat hebben we helemaal aangekocht; daarmee hebben we meteen een hele nieuwe generatie in huis.''

Precies die generatie van Huyghe en Douglas Gordon en Aernout Mik heeft u uitgebreid getoond in het Van Abbe Entr'acte aan de Vonderweg (het provisorische onderkomen in een voormalige Philips-personeelswinkel waar het Van Abbe van 1995 tot 2001 was gevestigd - HdHJ). Dat werkte goed, zo goed, dat veel mensen zelfs twijfelden of jullie er wel weg moesten.

,,De Vonderweg heeft ons zeker aan het denken gezet. In de plannen voor het nieuwe museum was het vanaf het begin de bedoeling om verschillende manieren van exposeren naast elkaar te gaan tonen. Enerzijds tonen we nu de absolute l'art pour l'art van kunstenaars als Vermeiren, Kemps en Vercruysse, strak en zonder enige uitleg. Daartegenover staan de zalen van El Lissitzky met documentatie, beeldschermen, foto's en tekstbordjes, om de toeschouwer zoveel mogelijk context te verschaffen. De toren hoort ook in die opzet: dat is een moeilijke ruimte, bewust gecreëerd, die alleen maar functioneert als een kunstenaar er speciaal werk voor maakt. Daar willen we kunstenaars uitdagen, zeggen: reageren jullie nu eens op het museum, in plaats van omgekeerd.

,,Door het succes van de Vonderweg kwam daar nog een variant bij. Aanvankelijk, toen we die ruimte betrokken, probeerden we er klassieke museumzalen in aan te leggen – helemaal fout. We waren Kropholler aan het nadoen in een oude kantine. Toen begrepen we dat we die zalen aan de kunst moesten aanpassen en niet andersom. Dat leidde tot een hele ontwikkeling die eindigde in de tentoonstelling van Aernout Mik. Mik zette dat hele museum naar zijn hand, daar werd de tentoonstelling het echte werk. Uiteindelijk heeft dat tot gevolg gehad dat we in de kelder van het nieuwe museum de `Studio' hebben ingericht; een ruimte waar kunstenaars langer kunnen werken en de ruimte naar hun hand kunnen zetten. En dat werkt, dat zie je al meteen bij het eerste project van Jason Rhoades.''

Is dat niet een vorm van wat je vroeger 'repressieve tolerantie' zou noemen? Deze jongste kunstenaars zoeken hun wegen buiten het museum. In plaats van dat het museum zich daarbij neerlegt, probeert het ze met een omweg alsnog binnen te halen.

,,Welnee, geen sprake van. Dat is ook gewoon een generatiekwestie. `Mijn' eerste generatie, de vroege conceptualisten zeg maar, zijn wereldberoemd geworden door de musea. Hun reputatie werd daar gevestigd en daar hebben ze optimaal gebruik van gemaakt. Mijn leeftijdsgenoten zijn nooit erg doorgebroken, juist omdat ze worstelden met de status van de kunst. Kunstenaars als Vermeiren en Klingelhöller zijn zelf-reflectief, hun werk wil vooral een rechtvaardiging zijn van de kunst en het kunstenaarschap. De jongste generatie is veel meer geïntegreerd in de wereld van alledag. Zij reflecteren op de televisie, op film, op reclame en nieuwe media. In die media tonen ze hun werk ook. Dat brengt met zich mee dat hun werk niet erg object-gericht meer is, en dat een museum voor hen daarom niet meer is dan een van de mógelijke distributiekanalen. Dan moet je, vind ik, als museum dus mogelijkheden bieden die andere media niet bieden - zoals uitleg, of zo'n toren, of zo'n studio. Bij de Tate zijn ze daar al veel verder mee. Daar overwegen ze een heel virtueel museum op te richten met werken die volledig voor het internet zijn gemaakt. En waarom ook niet? Als kunstenaars er behoefte aan hebben kan het werken.''

Wat de Tate Gallery's betreft: die musea hebben altijd een vrij nadrukkelijk Engels zwaartepunt gehad. Is dat voor u als buitenlander geen probleem?

,,Daar hebben we het bij de gesprekken wel over gehad. Ik heb gezegd: jullie realiseren je toch wel dat ik geen gespecialiseerde Engelse kunsthistoricus ben? Ik bedoel: in de hedendaagse kunst ben ik goed thuis, maar als ze een kunsthistorisch vertoog over William Hogarth verwachten zijn ze bij mij aan het verkeerde adres. Maar dat was geen probleem. Ze wilden me om het verzamelbeleid te verbeteren, `aanscherpen' zoals ze het letterlijk noemden. Dat durf ik wel aan.''

In de discussie over het Boijmans en het Stedelijk worden de Tate, het MoMA en het Centre Pompidou vaak genoemd als de maat der dingen waar het internationale musea betreft. Denkt u dat Nederlandse musea ooit nog bij die categorie kunnen aanhaken?

,,Ik betwijfel het – en dat is vreselijk. Het Stedelijk was van oudsher een ijkpunt in de kunstwereld. Het had alles wat een goed museum moet hebben: de referentiepunten van de kunst werden er getoond en het genereerde ideeën. Die rol is het Stedelijk kwijt. Men realiseert zich in Amsterdam blijkbaar niet wat daarmee verloren is gegaan. Dat heeft te maken met gebrek aan personeel en met geld, maar zeker ook met daadkracht. Ik bedoel: in Engeland zijn ze echt niet zoveel rijker dan in Nederland. Maar als ze daar bedenken: we zetten een Tate Modern op, dan stáát het er zes jaar later ook. Die maatschappelijke stootkracht bestaat niet meer in Nederland. Op die manier krijgt het Stedelijk die positie van zijn levensdagen niet meer terug.

,,Persoonlijk betreur ik dat enorm. Je moet bedenken dat toen ik kunstgeschiedenis studeerde, in de jaren zeventig, in Gent, er in België geen enkel fatsoenlijk museum voor moderne kunst was. Wij gingen één of twee keer per jaar naar het Stedelijk, echt op pelgrimstocht. In Amsterdam praatten we met Nederlanders, gingen we kunst zien, discussiëren. We waren als kamelen die zich volzogen met kunst en dan gingen we weer terug, de woestijn in.''

In hoeverre deelt u de mening dat musea als het Stedelijk meer in hun eigen inkomsten zouden moeten voorzien?

,,Dat is een van belangrijkste misverstanden van de moderne museumcultuur. Musea worden vandaag de dag gereduceerd tot publiekstrekkers. Andere facetten van het beleid komen niet aan bod. Ik weet nog dat we net aan de Vonderweg zaten. We hadden toen de tentoonstelling Alleen schilderijen... met allemaal topwerken uit onze schilderijencollectie. Daar kwam geen hond op af. Tegelijkertijd begon de Eindhovense politiek te morren dat we te weinig mensen trokken. `Goed', heb ik gezegd, `wacht even'. Toen heb ik Arlette Brouwers een poster laten ontwerpen met onze top-Kandinsky erop tegen een blauwe achtergrond, zodat het geel van dat schilderij goed zou uitkomen. Daaronder stond: 'Alleen schilderijen... De schilderschatten uit de collectie van het van Abbe' – `schatten' is zo'n commercieel toverwoord – en die hebben we overal opgehangen. En ja hoor: 30.000 bezoekers, meneer. Dat is dus een truc, een grap bijna. Daar gaat het ook niet om. Je moet de kunst serieus nemen, dan neem je vanzelf het publiek serieus. Dat debat over musea en geld, gaat, met een hint naar Wim Sonneveld, niet meer over het kwaliteit van het toneelstuk, maar over de verkoop van de kroketten in de pauze. Die kroketten, die hebben mij nooit ene moer kunnen interesseren. De kunst, daar gaat het om.''

Van Abbemuseum, Bilderdijklaan 10, Eindhoven. Geopend: di t/m zo 11-17u. Inf. (040) 2381000 of www.vanabbemuseum.nl De openingstentoonstelling `Over Wij/About We' is te zien t/m 31/8.