Ondergang

Roem en rock & roll, het blijft een riskante combinatie.

Neem de levens van vier van de beroemdste poplegendes: Elvis Presley, John Lennon, Michael Jackson en Phil Spector. Elvis sloot zich op in zijn huis en vrat en drogeerde zichzelf tot hij erin stikte; Lennon sloot zich op in zijn huis en verviel in een staat van comateuze apathie; Jackson sloot zich op in zijn huis en gaf zich over aan een dermate bedenkelijke omgang met zijn eigen en andermans kinderen dat elke andere vader bij zulk gedrag allang uit de ouderlijke macht zou zijn ontzet; Spector sloot zich op in zijn huis en pleegde vermoedelijk een moord op een vrouw.

Alleen Lennon wist zich uit zijn levensbedreigende crisis te redden met de hulp van ere wie ere toekomt Yoko Ono.

De overeenkomst tussen deze levens is het zelfgekozen isolement van het kluizenaarschap. (Wat dat betreft hoort ook Brian Wilson van de Beach Boys in dit rijtje thuis.) Het was het eindpunt van een sluipend proces waarin het contact met het gewone leven al steeds meer was weggevallen. Toen de pophelden voorgoed de deur achter zich hadden dichtgegooid, kwam er geen enkel normaal medemens meer over de vloer. Er was alleen nog plaats voor de ja en amen knikkende leden van hun hofhouding. Elke mogelijkheid van externe correctie verviel.

Ze hadden toen al zo lang boven de wet gestaan dat ze hun status van heremiet niet als ongezond zullen hebben ervaren. De literatuur over de omgang tussen Lennon en Spector geeft daarvan interessante voorbeelden. Zij voelden zich aanvankelijk zeer tot elkaar aangetrokken, waarbij Lennon merkwaardig genoeg meer bewondering voor Spector toonde dan andersom.

In zijn boek Lennon in America beschrijft Geoffrey Giuliano hoe de samenwerking tussen de heren steeds meer uitliep op een botsing tussen twee onhandelbare ego's. Het gedrag van producer Spector werd almaar extravaganter. Hij kwam soms gekleed als kungfu-vechter of als arts, gehuld in chirurgische uitrusting, naar de studio, een fles Courvoisier in de ene hand en een geladen revolver in de andere. Eén keer schoot hij in het plafond waarna Lennon droogjes opmerkte: ,,I think it's a real fuckin' bullet.''

Spector nam zoveel tijd voor de opnamen dat Lennon, gewend aan snel werken, er overstuur van raakte. Hij schold Spector uit voor `Jew bastard' en werd op een dag zó kwaad dat hij de ruiten uit zijn auto trapte, het meubilair van een huis vernielde en door lijfwachten van Spector aan zijn bed moest worden vastgebonden.

Those were the days.

Opvallend is dat de media in die tijd zeer terughoudend over de sterren berichtten. De onthullingen kwamen meestal veel later. Dat is de pech voor Michael Jackson die nu meer op de huid gezeten wordt.

Er draait momenteel een interessante film in Nederland, Autofocus van Paul Schrader, waarin het mechaniek van de zichzelf perverterende roem treffend wordt uitgebeeld. Bob Crane, de overschatte held uit een tv-serie in de jaren zestig, neukt zich in zijn privé-leven naar zijn ondergang. Als ik manager was van een opkomende popster zou ik hem deze film laten zien.