Ode aan moord en hebzucht

Fred Ebb schreef zangteksten in `hardboiled'-straattaal, John Kander schiep een heksenketel van koper voor de glitter van de misdaad.

Hun werk laait opnieuw op in de verfilming van `Chicago'.

John Kander en Fred Ebb beginnen graag bij het begin. Het eerste nummer dat ze voor de musical Cabaret schreven, was het openingslied waarmee de ceremoniemeester het publiek de show binnenlokt: Willkommen, bienvenue, welcome / Fremde, étranger, stranger / glücklich zu sehen / je suis enchanté / happy to see you, bleibe, reste, stay... En het schrijven van Chicago begon voor hen met het verleidelijke Come on, babe, why don't we paint the town / and all that jazz!

Het eerste nummer zet de toon, zeggen ze. Het definieert waar het vanavond om draait – om de Kit-Kat Club in Cabaret, of om de hitsige mengeling van misdaad en jazz-syncopen in Chicago. Als die opening er eenmaal is, heeft de rest een richting. Dan weten ze hoe ze het verhaal gaan vertellen, in welk idioom en met welke middelen.

Ebb, de tekstdichter, heeft hun procédé eens vergeleken met het pleidooi van een openbare aanklager voor de rechtbank. ,,Je staat op, je zegt dat je gaat bewijzen dat deze man schuldig is, en daarna begin je je betoog.'' Kander, de componist, voegde eraan toe dat zo'n openingsnummer niet per se de belangrijkste song van de hele musical hoeft te zijn: ,,Maar het vertelt je wel wat er gaat gebeuren. Duidelijker kan ik het niet uitleggen. Het geeft je een indruk van de taal en de stijl waarin je gaat werken.''

Ze schreven Cabaret en Chicago, de wereldhit New York, New York en nog een handvol musicals die buiten Broadway en Londen minder bekend werden. Cabaret dateert uit 1966, was een internationaal theatersucces en werd des te beroemder door Bob Fosse's verfilming met Liza Minnelli. Chicago ging in 1975 op Broadway in première, werd overal ter wereld opnieuw geënsceneerd en is nu eveneens verfilmd, met Renée Zellweger, Catherine Zeta-Jones en Richard Gere.

Geen wonder dat John Kander en Fred Ebb tot de belangrijkste musicalmakers van de laatste vijftig jaar worden gerekend. Andrew Lloyd Webber heeft meer kassuccessen op zijn naam staan en Stephen Sondheim gaat dieper, maar als weinig anderen werken Kander en Ebb in de ware Broadway-traditie. Als hun shows iets gemeen hebben, is dat het gul glitterende there's no business like show business-gevoel. Niet voor niets zijn ze op hun best als ze zich kunnen wentelen in de jaren twintig (Chicago), dertig (Cabaret) of veertig (New York, New York, voor de gelijknamige film van Martin Scorsese). Ook zo'n los nummer begon voor hen bij het begin: toen de eerste vijf noten – tam-tam-tá-da-da – er waren, konden ze verder.

Revuedanseresje

Het maken van Chicago, de musical waarin de misdaad loont, was trouwens niet hun eigen initiatief. Het idee is van de Amerikaanse musicalvedette Gwen Verdon. Toen zij in de jaren zestig op zoek was naar een nieuwe hoofdrol, zag ze op de televisie de film Roxie Hart uit 1942, met Ginger Rogers als het gelijknamige revuedanseresje dat een ster wordt nadat ze wegens moord in de cel is beland. Het script was gebaseerd op een uit 1926 daterend toneelstuk van Maurine Dallas Watkins, die als rechtbankverslaggeefster bij de Chicago Tribune met eigen ogen had gezien hoe makkelijk sommige bajesklanten pers en publiek in hun ban wisten te krijgen. Het stuk was een sarcastische satire op de roem; de schrijfster noemde het `een eerlijke poging om iets te zeggen waarin ik vurig geloofde'.

Omdat ze zich op latere leeftijd tot de Heer had bekeerd, was Maurine Dallas Watkins het sindsdien echter niet meer eens met haar eigen stuk. Het feit dat ze haar personages de lof had laten zingen over de totale omkering van alle normen en waarden, zonder daarover zelf een expliciet oordeel te vellen, kon ze niet meer goedkeuren. En ze wenste dus ook zeker niet dat er een musical van zou worden gemaakt. Gwen Verdon moest nog een jaar of tien wachten, tot de schrijfster was gestorven en haar erven minder scrupuleus bleken te zijn.

De musical zou worden gemaakt door de grote showchoreograaf en -regisseur Bob Fosse. Hij was de echtgenoot van Gwen Verdon, maar hield er tevens romances op na met andere Broadway-sterren, zodoende had hij iets goed te maken bij zijn vrouw. ,,Ik doe dit voor Gwen'', zou hij volgens zijn biograaf tegen een collega hebben gezegd. ,,Anders had ik het niet gedaan.''

Fosse wendde zich, hoe dan ook, tot Fred Ebb en John Kander, wier Cabaret hij een paar jaar eerder tot een pakkende film had gemaakt door de realistische scènes vrij van zang en dans te houden. Voor de songs, die immers commentaar op de handeling gaven, ging hij telkens terug naar de Kit-Kat Club. Nu stelde Fosse voor het hele Chicago-verhaal in variété-stijl te vertellen: geen toneelscènetjes tussen de shownummers door, zoals in veel traditionele musicals, maar alles in de vorm van een revuesketch, een stukje tapdans, een nummertje slapstick en veel showscènes, inclusief de aankondigingen die doorgaans aan dat soort nummers voorafgingen. Maar vooral geen sentiment, hielden Fosse, Ebb en Kander elkaar voortdurend voor: deze lieden gaan letterlijk over lijken om de top te bereiken, ze zijn keihard, ze manipuleren alles en iedereen. Geheel volgens de adviezen van hun aalgladde advocaat Billy Flynn: draai de hele wereld een prachtig flonkerend rad voor ogen, zodat iedereen verblind zal zijn – Give `em the old razzle dazzle / razzle dazzle 'em / give 'em an act with lots of flash in it / and the reaction will be passionate...

Zo werd hun strakgespannen show een cynische ode aan `moord, hebzucht, corruptie, geweld, uitbuiting, overspel en bedrog – alles wat ons allemaal zo na aan het hart ligt', zoals de ceremoniemeester aan het begin van de show roept. Ebb schreef zijn zangteksten in de hardboiled-straattaal van Chicago tijdens de jazz age, Kander schiep een heksenketel van koper op spannende ritmes vol abrupte hiaten, en Fosse maakte het hele ensemble schaamteloos brutaal met zijn hoekige, hoerige bewegingstaal.

Galg

De musical vertelt het verhaal van Roxie Hart, die haar minnaar doodschiet, haar brave man de schuld in de schoenen wil schuiven, en net zo'n ster wil worden als haar grote voorbeeld Velma Kelley, die eveneens wegens moord gevangen zit. En daar wordt haar de weg naar de roem gewezen door advocaat Billy Flynn, die zijn cliënte Velma zonder scrupules voor Roxie verruilt. Als ze maar de sympathie van de goedgelovige pers weet te wekken, dan durft geen jury haar meer tot de galg te veroordelen. In een interview wees Fred Ebb op het feit dat Al Capone in die tijd bekender en populairder was dan de gouverneur van de staat. ,,In deze stad is moord een vorm van entertainment'', zegt de directrice van de vrouwengevangenis in de verfilming.

Chicago was in 1975, met Gwen Verdon en Chita Rivera in de hoofdrollen, een redelijk Broadway-succes, maar misschien te baanbrekend, te grimmig en lang niet emotioneel genoeg om een blijvende publieksfavoriet te worden. Bijna alle musicalprijzen gingen dat jaar naar het met veel meer sentimenten overladen A Chorus Line. Chicago kreeg niets. Veel meer indruk maakte de heropvoering van 1996, die tot op de dag van vandaag in New York en Londen wordt gespeeld. Ook in Nederland trok de reconstructie, hier met Simone Kleinsma, Pia Douwes en Stanley Burleson, een jaar lang volle zalen. Nog consequenter en vinniger dan twintig jaar eerder was de zwart-witte Fosse-stijl doorgevoerd, met het orkest centraal op het podium, en toch laat het publiek zich nu makkelijker winnen. Geopperd is dat de revival op Broadway direct volgde op het proces tegen O.J. Simpson, dat door bijkans de hele westerse wereld dagelijks werd gevolgd. Sindsdien lijkt het verband tussen roem en moord of doodslag niet zo vreemd meer.

De eerste filmplannen dateren al van tien jaar geleden, maar niemand wist wat een realistisch medium als film te doen stond met een musical zonder ook maar één realistische scène. Tot de als speelfilmregisseur debuterende Rob Marshall de oplossing wist: een realistisch, hooguit ietwat verhevigd verhaal, waarin Roxie alles wat haar overkomt in variété-termen vertaalt. Zodra iemand tegen haar begint te praten, ziet ze daar een zang- en dansnummer in – en dus de toeschouwer ook. Telkens verspringt het beeld dan naar de Onyx Club, waar alle personages veranderen in nachtclubartiesten: It's good, isn't it? zingen ze ten slotte, Grand, isn't it? Great, isn't it? Swell, isn't it? Fun, isn't it? Nowadays – een lofzang op het Sodom en Gomorra van de jaren twintig, met een vette knipoog naar het heden: `Over vijftig jaar zal het allemaal vast en zeker heel anders zijn, maar nu is het leven nog geweldig.'

Hun meest recente Broadway-musical maakten Kander en Ebb in 1997. De show heette Steel Pier, vertelde een liefdesverhaal tegen de achtergrond van het marathon-dansen uit de jaren dertig en moest na twee maanden sluiten wegens gebrek aan publiek. Anderhalf jaar geleden begonnen ze in Chicago aan The Visit, gebaseerd op een stuk van Friedrich Dürrenmatt, maar die show heeft New York tot dusver niet gehaald. Wel wordt daar sinds kort Cabaret weer opgevoerd. De advertentie citeert wat de New York Post erover schreef: ,,De beste musical op Broadway!'' Dat is de taal, die Kander en Ebb verstaan.

De film `Chicago' draait vanaf volgende week in de Nederlandse bioscopen

    • Henk van Gelder