Nederland stapelt fout op fout in Conventie EU

Eerst heeft Den Haag niet in de gaten hoe belangrijk de Europese Conventie is. Daarna maakt Nederland voortdurend verkeerde inschattingen. Er is verzuimd lering te trekken uit eerdere debacles, meent Ben van der Velden.

Voormalig minister van Buitenlandse Zaken Jozias van Aartsen (VVD) dacht dat de Conventie over de toekomst van Europa ,,een praatclub' zou worden. Dat was de eerste verkeerde inschatting van Nederland bij het debat over een nieuw constitutioneel verdrag voor de Europese Unie. Bernard Bot, de vorig jaar gepensioneerde Nederlandse permanente vertegenwoordiger (ambassadeur) bij de EU, voorzag echter dat de conventie belangrijk zou worden. Hij beval in 2001 premier Wim Kok aan te dingen naar het voorzitterschap van de Conventie. Die functie zou volgens hem een mooie opstap zijn naar de opvolging van Romano Prodi als voorzitter van de Europese Commissie.

Gemangeld tussen de twee tegengestelde adviezen aarzelde Kok zo lang tot het voorzitterschap, dat binnen handbereik was, naar de Franse ex-president Valéry Giscard d'Estaing ging. België, dat de conventie ernstig nam, sleepte voor ex-premier Jean-Luc Dehaene het vice-voorzitterschap binnen.

Hans van Mierlo, de eerste vertegenwoordiger van de Nederlandse regering bij de Conventie, dacht begin vorig jaar dat hij in Brussel naar ,,een soort politieke brainstorming' was gestuurd. Hij werd na het aantreden van het kabinet-Balkenende tot opstappen gedwongen. Premier Jan Peter Balkenende, minister van Buitenlandse Zaken Jaap de Hoop Scheffer en staatssecretaris van Europese Zaken Atzo Nicolaï zagen in dat de Conventie een serieuze zaak was waarbij Nederlandse belangen op het spel stonden. In de Conventie werd al snel niet alleen meer gepraat door parlementariërs uit heel Europa, maar werden ook onderhandelingen gevoerd door vertegenwoordigers van regeringen. Vervolgens maakten ze de tweede Nederlandse inschattingsfout.

Ze maakten een plan om te voorkomen dat Nederland macht verliest in de uitgebreide EU. Na 2004 is Nederland niet meer een van de vijftien EU-lidstaten, maar slechts een van de vijfentwintig. Vastgesteld werd dat het allereerste Nederlandse belang was te voorkomen dat de Europese Raad (de vergadering van regeringsleiders) een president krijgt. Het bestaande halfjaarlijks roulerende EU-voorzitterschap zou gehandhaafd moeten worden.

De EU-president is een idee van de Franse president Jacques Chirac, dat gesteund wordt door de Britse premier Tony Blair en diens Spaanse collega José Maria Aznar. Het huidige halfjaarlijks wisselende EU-voorzitterschap zou een belemmering zijn voor de continuïteit van het beleid, omdat iedere regeringsleider prioriteiten op de Europese agenda zet waarmee hij in zijn eigen land goede sier kan maken. Volgens de Nederlandse analyse leidt de benoeming van een vaste president tot vergroting van de macht van grote landen ten koste van kleinere als Nederland.

Om effectief een stok tussen de wielen van de drie groten te steken had Nederland bondgenoten nodig. Gedacht werd daarbij aan kleine landen, die dezelfde bezwaren als Nederland zouden hebben. Allereerst moest de Benelux zich achter Nederland scharen. Maar de Belgische premier Guy Verhofstadt bleek in de toekomst geen roulerend voorzitterschap van de EU te willen. Hij wilde een voorzitterschap voor enkele jaren. Alleen wilde hij daarvan, anders dan de grote landen, geen voltijdse baan maken, maar een bijbaan voor een Europese regeringsleider.

Om de meningsverschillen enigszins aan het oog te onttrekken, werd in een verklaring van de Benelux zowel de wens van Balkenende als die van Verhofstadt opgenomen. De Franse minister van Buitenlandse Zaken, Dominique de Villepin, voelde uitstekend aan dat Verhofstadt niet op de Nederlandse lijn zat en suggereerde dat de Belgische premier de eerste door Frankrijk gewenste EU-president zou kunnen worden. Louis Michel, de Belgische minister van Buitenlandse Zaken die met de regelmaat van de klok met Verhofstadt overhoop ligt, zei dat hij de door de grote landen voorgestelde EU-president onaanvaardbaar vond. Maar hij voegde eraan toe: ,,Ik wil natuurlijk geen voorzitter van de vakbond van kleine landen worden.'

Nederland dacht dat een coalitie van kleine landen onvoldoende was om tegen Chirac, Blair en Aznar op de roeien en hoopte daarom ook op steun van de Duitse bondkanselier Gerhard Schröder. Dat was de derde Haagse inschattingsfout. Chirac sloot met Schröder een deal: de Duitse bondskanselier ging akkoord met de door Frankrijk gewenste EU-president en kreeg daarvoor in ruil Franse steun voor het plan om de voorzitter van de Europese Commissie in de toekomst te laten kiezen door het Europees Parlement.

Opnieuw was er strategisch overleg in Den Haag. Gijs de Vries, de opvolger van Van Mierlo als regeringsvertegenwoordiger bij de Conventie, kreeg opdracht het oorspronkelijke Nederlandse standpunt te verdedigen dat aan een roulerend halfjaarlijks EU-voorzitterschap niet getornd mag worden. Maar veel bondgenoten kreeg De Vries daarbij niet. Veel kleine landen applaudisseerden wel voor zijn aanval op het Frans-Duitse voorstel. Maar zij voelden niet voor de Nederlandse oplossing om het roulerend voorzitterschap te handhaven. Een toekomstige EU waar een land een keer in de dertien jaar zes maanden voorzitter speelt, leek hun weinig praktisch.

Dus is Nederland wat betreft het EU-presidentschap in een wat eenzame positie gekomen. Dat heeft te maken met de vierde inschattingsfout. Die betreft het belang van het voorgestelde EU-presidentschap. Het gewicht van een EU-president hangt af van de macht, of de beperking van de macht, van de Europese Raad (de regeringsleiders). De Conventie heeft nog geen mening over de toekomstige macht van die Europese Raad uitgesproken. Nederland had beter kunnen wachten tot duidelijk was wat de bevoegdheden van de Raad zijn, voordat het zich met vol gewicht op de kwestie van het voorzitterschap stortte.

Bij alle vier inschattingsfouten speelde hetzelfde: Den Haag meende te weten hoe de hazen in Brussel lopen en negeerde zelfs het advies van een Nederlandse ambassadeur. Dezelfde kwaal leidde in 1991 tot de zogenaamde zwarte maandag, de afgang van Nederland als EU-voorzitter.

Ben van der Velden is correspondent van NRC Handelsblad in Brussel.