Naar een nieuw concept voor `het westen'

Wie het idee wil verdedigen van een democratische westerse identiteit die wordt gedeeld tussen Europa en de VS, moet een brug slaan tussen het `oude' en het `nieuwe' Europa, vindt Ezio Mauro.

De crisis in Irak is haar laatste akte ingegaan. We staan voor een cruciale overgang, want in het ultramoderne conflict dat op het punt staat te beginnen komen niet-opgeloste problemen uit de vorige eeuw terug. Het eerste is natuurlijk de botsing tussen Bush en Saddam, die zich al meer dan tien jaar voortsleept. Woensdag hebben we in de Veiligheidsraad ook de oude confrontatie gezien tussen de Verenigde Staten en Rusland (met China). Tot slot zet het aangekondigde conflict de aloude relatie tussen Europa en de VS onder spanning. Het oude continent raakt verdeeld en krijgt in het oosten een nieuw gezicht, waarbij onvermijdelijk een crisis ontstaat rondom het idee van een westerse identiteit. Dit is een proeve van een nieuwe wereldorde, met de enige supermacht die het afschrikkingsevenwicht van na de Tweede Wereldoorlog heeft overleefd, zoekend naar een antwoord op de vreselijke wond van 11 september en dat met moeite vindend binnen de regels van de oude internationale orde.

Het zoeken naar bewijzen, en dus het fundament van een casus belli, lijkt voor de ongeduldige Amerikanen op Europese haarkloverij, een meer bureaucratische dan juridische tussenwand tussen goed en kwaad, machtsmisbruik en recht. Van hieruit moeten we vertrekken om de crisis te begrijpen. Dit gewonde Amerika heeft anderhalf jaar lang de solidariteit van heel de wereld gehad. Maar het heeft er eerlijk gezegd nooit op kunnen rekenen dat de uitdaging waarvoor het staat, de uitdaging van het terrorisme, door anderen wordt gedeeld. In de weken dat de wereld begrip zou hebben getoond voor een reactie, heeft Bush vooral de politiek en de diplomatie gebruikt. Hij heeft een internationale coalitie gesmeed op de manier die zo'n soort operatie vereist, hij heeft de gematigde Arabische landen erbij betrokken, hij heeft hun leiders doen begrijpen dat Al-Qaeda voor hen ook een intern gevaar was en heeft rechtstreeks tot de Arabische publieke opinie gesproken. Pas daarna is de oorlog tegen Afghanistan ontketend, die een regime heeft ontmanteld dat het radicaalste en gevaarlijkste islamitische terrorisme beschermde.

In het hoofdstuk Irak lijkt Bush af te zien van de politiek, alsof dat niet meer nodig is omdat de Amerikanen op eigen kracht de kwestie-Irak kunnen oplossen. Saddam vertegenwoordigt een soort oude rekening, voor de vereffening waarvan Bush geen nieuw mandaat nodig acht. En dat terwijl 11 september nieuwe legitimatie biedt aan de Amerikaanse reactie en aan de noodzaak om zowel het directe gevaar te bezweren dat Bagdad `morgen' kan vormen, zoals Powell zei, als het indirecte risico van de operatieve en materiële banden met het terrorisme van Al-Qaeda.

Dit is de eerste praktische uitwerking van de Bush-doctrine, die is samengevat in het document over Nationale Veiligheidsstrategie dat 20 september vorig jaar werd gepresenteerd. Bush zei in dat document dat hij ervan overtuigd is dat ,,de mensheid de mogelijkheid in handen heeft om de overwinning van de vrijheid op haar vijanden veilig te stellen.''

Hij trekt daar meteen de consequenties uit: ,,De Verenigde Staten zijn trots op de verantwoordelijkheid die hun toevalt om deze belangrijke missie te leiden.'' In mystieke of leninistische taal roepen de VS zich uit tot instrument van de `mensheid', bepalen zij wie hun vijanden zijn, en voeren ze voor ons allen de `missie' voor de vrijheid uit.

Deze theoretische onderbouwing van een nieuwe wereldorde is ook voor een westerling die overtuigd aanhanger is van de banden tussen Europa en de VS, niet aanvaardbaar. En zeker onaanvaardbaar is de praktische vertaling ervan, de autonome en unilaterale beslissing van de VS om de rekening met het criminele regime van Saddam te vereffenen buiten het parcours van de internationale legitimiteit en het westerse bondgenootschap. Een oorlog kan rechtvaardig zijn, simpelweg onvermijdelijk of ook preventief, als ze dient om een zeer groot en dreigend gevaar te bezweren. Maar dat gevaar moet worden onderzocht en als zodanig worden bestempeld en gedefinieerd door de internationale organen, die moeten onderzoeken of dreiging en reactie wel van dezelfde proporties zijn. Dat gevaar moet ook door de westerse landen worden bekeken in hun alliantie en in het licht van de politieke opportuniteit.

Geen enkel land, ook niet als het is gewond door terrorisme en evenmin als het de enige supermogendheid is, kan een `missie' uitvoeren uit naam van de vrijheid en van het westen en daarbij de politieke stappen ter bescherming van het internationale recht overslaan. Maar dit gezegd zijnde zijn we nog maar net op de helft van een eerlijk betoog. Hoe is mogelijk dat men in de vrije straten van het westen terecht een lofzang zingt op de vrede, maar te vaak niets hoort (of te lang niets heeft gehoord) over de noodzaak om het zoeken naar vrede te koppelen aan het bestrijden van terrorisme? Hoe kan het dat men in ons land tegelijkertijd leuzen kan roepen tegen het terrorisme van Bin Laden en van Bush, daarmee de leider van een moorddadige organisatie gelijkstellend aan de leider van de grootste westerse democratie?

De waarheid is dat wij westerlingen te snel het terrorisme van Al-Qaeda hebben beschouwd als een probleem dat alleen de Verenigde Staten aangaat, en de aanslag op de Torens eerder als een vooral symbolische en spectaculaire gebeurtenis hebben gezien dan als een aanval met politieke betekenis. Alsof alleen Amerika de gevolgen van de aanslag heeft ondergaan, en wij alleen het signaal, het teken, zonder consequenties. Op deze manier heeft men Amerika tot het epicentrum van alles gemaakt, van actie en reactie, en heeft men het land psychologisch en politiek alleen gelaten toen het die uitdaging het hoofd moest bieden.

We hebben niet de volle waarheid begrepen van wat er is gebeurd: wij allemaal, de democratieën, waren het doelwit, en Amerika was het symbool. Het antwoord had een herziening van het concept van het westen moeten zijn, geldig voor de nieuwe eeuw: het westen als de plaats van de democratie (niet de enige, maar de wel de oorsprong): de democratie van rechten, de democratie van instituties.

Het resultaat zou een versterkte, eigentijdse en evenwichtigere verhouding tussen Europa en de VS zijn geweest. Bij het samen zoeken naar een antwoord op de uitdaging die het terrorisme voor de democratie vormt, had Europa zijn visie kunnen bijdragen: politiek komt naast en vóór geweld, en internationaal recht is niet een formeel maar wezenlijk element in de besluitvorming.

De Iraakse crisis legt daarentegen een beangstigende tekortkoming van Europa bloot, die ons allemaal verweten kan worden. De Amerikanen zijn al snel ervan overtuigd geraakt dat ze er alleen voor staan en dat ze het concept van het westen bij het oude arsenaal van de Koude Oorlog kunnen opbergen. Zij maken gebruik van de Europese zwakte. Zij vergroten die zelfs door een wig tussen ons te drijven, door de meest bevriende landen in hun kamp te lokken en zo een losjes samenhangend groepje te maken op basis van unilaterale beschikbaarheid, daar waar eens een alliantie en een gezamenlijke cultuur bestond.

Het is een treurig gezicht. De Amerikaanse politieke markt blijkt voor de voormalige communistische landen een aantrekkingskracht te hebben die de Europese politieke markt niet kan of wil hebben. Het resultaat is dat Bush zelfs de Frans-Duitse as heeft bestempeld tot het oude Europa, als een soort overblijfsel van vroeger, en het zwaartepunt van het continent heeft verplaatst naar ergens tussen de Middellandse Zee en de Karpaten. Wanneer het verdeeld raakt tussen oud en nieuw heeft Europa geen gezag meer.

Er moet zo snel mogelijk een brug worden geslagen tussen deze twee Europa`s. Het is de enige manier om aan de kant van de VS te blijven staan en zo het idee van het westen te redden, en tegelijkertijd de principes van de Europese democratie te redden, onze opvattingen over recht en rechten, en deze een rol te laten spelen in de mondiale crises.

Dit is de enige weg om een einde te maken aan de enigszins belachelijke stoet van afzonderlijke Europese leiders die hun opwachting maken aan het hof van Bush. Die komen zonder precies plan en zonder het vermogen samen met de VS inhoud te geven aan het begrip `westen', maar eerder gedreven door een verkeerd begrepen en steriel idee van nationale grandeur.

Het is ook het enige instrument om de nieuwe anti-Amerikaanse gevoelens af te remmen, die zich vermengen met de oude en nostalgische ideologie, die flirten met het antisemitisme en niet in staat zijn onderscheid te maken tussen een negatief oordeel over het beleid van Bush en de historische band die ons bindt en moet binden aan de VS.

Ezio Mauro is hoofdredacteur van de Italiaanse krant La Repubblica. Morgen op deze pagina: Timothy Garton Ash over de anti-Europese gevoelens in de Verenigde Staten.