Japan in malaise `groeit' zich arm

Al tien jaar lang verkeert de Japanse economie in een deplorabele staat. Uitzicht op verbetering is er niet. Toch melden, ook deze week weer, grote Japanse concerns superwinsten. Wat is er met Japan aan de hand?

Vreemde cijfers komen er dezer dagen uit Japan. Inkomens zijn met procenten gedaald en recordaantallen Japanners laten zich failliet verklaren. Tegelijkertijd meldt een aantal Japanse bedrijven recordwinsten over het laatste kwartaal van 2002. Is Japan nu wel of niet ziek?

Misschien is het probleem dat de vraag de lading niet meer dekt, dat het niet draait om `Japan' als we praten over bijvoorbeeld autoproducent Honda. Sommige Japanse bedrijven doen het inderdaad zeer goed. Honda verwacht een recordwinst in het boekjaar dat op 31 maart afloopt. Toyota verdubbelde in het laatste kwartaal bijna zijn winst. Sony maakte de grootste kwartaalwinst uit zijn geschiedenis. Maar hoe `Japans' is een Japans bedrijf nog? Honda maakt al sinds 1995 meer auto's in het buitenland dan in Japan zelf en deze trend zet zich steeds verder door.

De totale binnenlandse productie van personenwagens is in Japan sinds het hoogtepunt zo'n tien jaar geleden met bijna 20 procent gedaald. De daling is evenwichtig verspreid over de binnenlandse verkoop en de export. Het verschil is dat de export wegens lagere kosten is vervangen door Japanse productie in het buitenland, terwijl de gedaalde binnenlandse verkoop niet door hogere import is vervangen.

De gedaalde binnenlandse verkoop is vooral een symbool van de slechtere economische omstandigheden in eigen land. De hervormingen van de buitenlandse baas van Nissan – de door de nieuwe eigenaar Renault uitgezonden Carlos Ghosn – bestonden vooral uit het sluiten van overbodige productiecapaciteit uit de goede jaren. De oude Nissan-bazen konden het domweg niet over hun hart verkrijgen om hier in te grijpen.

De verschuiving van productie naar het buitenland is voor een bedrijf als Honda – momenteel de succesvolste Japanse autoproducent – van meer belang dan de productiecijfers alleen suggereren. De verkoop in de VS is tevens de meest winstgevende: een winstmarge van 8 procent over het afgelopen jaar, tegen een winstmarge van slechts 5,2 procent op de verkopen in eigen land. Ook al is de Amerikaanse economie niet meer de kip met gouden eieren van enkele jaren terug, het land is van levensbelang voor bedrijven als Honda of Toyota. Japanse autoproducenten hebben gezamenlijk 27 procent van de Amerikaanse markt in handen. Dit komt neer op een totale verkoop van 4,5 miljoen auto's per jaar, méér dan de gehele Japanse thuismarkt.

Dit belang van de Amerikaanse markt geldt niet alleen voor de autosector. Een recente beschouwing van effectenhuis ING Barings over Sony en de andere Japanse producenten van consumentenelektronica begint niet met de situatie op de Japanse thuismarkt, maar met een schets van de kerstverkopen in de VS. Ook elektronicagigant Sony meldde recentelijk fantastische cijfers, met name dankzij de spelcomputer Playstation, de bijbehorende spellen, en de filmverkopen. De dreiging voor Japanse producenten die ING Barings vervolgens schetst, komt niet zozeer van mogelijk lagere bestedingen van Amerikaanse consumenten, maar van Koreaanse en Chinese concurrenten.

Volgens ING Barings moeten bijvoorbeeld de Japanse producenten van goedkope televisietoestellen uitkijken voor nog weinig bekende namen als Changhong en TCL uit China. In het duurdere segment moeten de Japanners alert zijn op het uiterst winstgevende Samsung – dat hard op weg is zich te vestigen als een met Sony vergelijkbaar merk – en LG uit Zuid-Korea.

China is ook in Japan inmiddels gedoopt tot `werkplaats van de wereld'. Om wereldwijd te kunnen concurreren verplaatsen Japanse bedrijven fabrieken naar China of gaan allianties met Chinese bedrijven aan. Het Chinese TCL bijvoorbeeld werkt al samen met Matsushita, dat wereldwijd beter bekend is onder de merknaam Panasonic.

Maar de productie in China gaat niet alleen naar derde landen. Het Japanse Sanyo produceert in China in een alliantie met het lokale bedrijf Haier koelkasten en wasmachines die vervolgens naar Japan worden geëxporteerd. De Japanse import van industriële producten uit China is gestegen van 6 miljard dollar in 1990 tot krap 50 miljard dollar in 2001. Dit maakt China de grootste leverancier van dergelijke producten aan Japan.

Zoals uit het voorbeeld van Sanyo blijkt, zijn het vaak Japanse bedrijven zelf die de Chinese export naar Japan initiëren. De reden is simpel. De Japanse consument beknibbelt op de uitgaven. Wie wat wil verdienen op de Japanse markt moet tegenwoordig goedkoop leveren. Zo heeft een geheel nieuw bedrijf als Uniqlo in Japan de afgelopen jaren stormenderhand de kledingmarkt veroverd met goedkope waar uit China.

Japanners zijn nog altijd rijk, maar de rijkdom vermindert zienderogen. Het aantal persoonlijke faillissementen steeg afgelopen jaar tot 214.000. In absolute zin geen opzienbarend aantal op een bevolking van 125 miljoen. Maar de betekenis ligt dan ook in de stijging ten opzichte van voorgaande jaren.

In 1990 lieten slechts tienduizend mensen zich failliet verklaren. In 1998 werd voor het eerst de honderdduizend gepasseerd en in 2002 de tweehonderdduizend. In een grafiek uiteengezet komt dit aardig overeen met de omhoogschietende curve van beurskoersen tijdens een `bubble'-economie. Inkomens dalen in Japan al sinds 1998. Afgelopen jaar zakte het gemiddelde salaris met 2,3 procent. Daar staat overigens tegenover dat de consumentenprijzen al vier jaar dalen.

Er heeft wellicht een grote nivellering plaats in Azië. China industrialiseert en wordt rijk, Japan `groeit' arm. Als dit zich voortzet, wordt Japan vanzelf ooit weer concurrerend.