In een roes van bloed

In een serie over vertaalde klassieken deze week `Oorlogsroes' van Ernst Jünger (Vertaald door Nelleke van Maaren en met een nawoord van Peter Claessens. De Arbeiderspers. 346 blz. euro 24,95)

Een oorlogsboek waarin de oorlog wordt gewaardeerd als iets geweldigs is tegenwoordig bijna ondenkbaar. Sinds de Tweede Wereldoorlog (en eigenlijk al sinds de Eerste) is de lol eraf. Oorlogsgeweld, voor zover het niet principieel wordt veroordeeld, moet nu altijd worden gelegitimeerd als een noodzakelijk kwaad, een vredesmissie of een oorlog om aan alle oorlog een eind te maken. Zie hoe de Amerikanen hun oorlog tegen Irak trachten te slijten.

Ernst Jünger (1895-1998) had daar in In Stahlgewittern (1920), zijn `dagboek' over de Eerste Wereldoorlog, nog geen last van.

Uit alles blijkt dat Jünger, die in 1918 als luitenant werd onderscheiden met de hoogste orde `Pour le mérite', de oorlog niet graag had willen missen. Van de gevechten moet hij hebben genoten, al worden de gruwelen ervan bepaald niet verzwegen. Integendeel, in zijn boek (dat nu door Nelleke van Maaren als Oorlogsroes is vertaald voor de fraaie reeks `Oorlogsdomein' van De Arbeiderspers) wemelt het van de beschrijvingen die alleen geschikt zijn voor lezers met een sterke maag.

Dat gaat bijvoorbeeld zo: `Ik sprong in de ochtendnevel uit de loopgraaf en stond voor een verschrompeld Frans lijk. Vissig, in ontbinding verkerend vlees glansde groenwit in het aan flarden gescheurde uniform. Toen ik me omdraaide, deinsde ik ontzet terug – naast me hurkte een gestalte tegen een boom. Hij droeg het glimmende Franse lederwerk en op zijn rug nog zijn hoogopgepakte ransel, bekroond door een ronde kookpan. Lege oogkassen en een paar plukken haar op de zwartbruine schedel verraadden dat ik hier niet met een levende te maken had'.

De oorlog is voor Jünger een vreemd en `betoverend' (het woord valt bij herhaling) schouwspel, dat de zintuigen scherpt. Over de `zware, zoetige' lijkengeur die vaak boven het slagveld hangt, lezen we dat deze `niet alleen maar weerzinwekkend' was. `Vermengd als hij was met de prikkelende walm van springstof, veroorzaakte hij ook een bijna helderziende opwinding, zoals alleen de onmiddellijke nabijheid van de dood weet op te wekken'. Zo spreekt een gefascineerd man. Wat was de aard van deze fascinatie?

In Das abenteuerliche Herz (1929) heeft Jünger het over de `man van de maan' die hij tot `onzichtbare begeleider' had gekozen; aan hem vertelde hij wat hem overkwam en wat hij zag, om daarna van zijn imaginaire verbazing te kunnen genieten. Een vorm van doelbewuste schizofrenie, die de verschrikkingen op voldoende afstand hield om ze draaglijk te maken. En dat niet alleen: via deze `stereoscopische blik' lukte het hem ook de gebeurtenissen op een ander – hoger of dieper – niveau te `zien'.

Dat was geen overbodige luxe, want in eerste instantie had de realiteit van de wereldoorlog beslist niet aan de verwachtingen voldaan. Vertrokken als vrijwilliger in `een dronkenschap van rozen en bloed', hield de jonge Jünger al gauw alleen het `bloed' over, terwijl het verhoopte `avontuur' onvindbaar dreigde te worden in het technische geweld van de `materiaalslagen'. Jüngers motieven bij zijn vertrek waren hoogst romantisch geweest, maar in de loopgraven vond hij die romantiek hooguit nog terug bij Ariosto en diens ridderepos Orlando furioso.

Het technische geweld was zo overdonderend dat het welhaast een natuurverschijnsel leek te zijn geworden. Mijnen en granaten, donder en bliksem – in het vuur van de strijd verdween ieder verschil. In de `staalstormen' openbaarde zich het `elementaire' (zoals Jünger het later zou noemen), waaraan ook de soldaten beantwoordden, als ze gegrepen werden door de `oorlogsroes' – iets waarvan Jünger, eerlijk en sans gêne, diverse bloeddorstige voorbeelden geeft.

Deze ervaring werd zijn nieuwe avontuur. Het had niets `romantisch' meer, niets escapistisch, maar het kwam neer op de onverbiddelijke overgang van een veilige burgerlijke wereld naar een hard en grimmig nieuw tijdperk, dat in de oorlog voor het eerst zijn gezicht liet zien. De nieuwe mens die daarbij hoorde, was de door strijd en vuur gestaalde frontsoldaat, uit wiens naam Jünger in de jaren twintig talloze rechts-revolutionaire artikelen zou schrijven tegen de republiek van Weimar en die in 1932 het uitgangspunt zou worden voor zijn grote visionaire essay Der Arbeiter.

In Oorlogsroes, zijn eerste boek, kondigt een en ander zich aan, bijvoorbeeld wanneer Jünger `Duitse helmen' door een `kraterveld' ziet naderen en dan schrijft: `Als ijzeren zaad schoten ze op uit de met vuur geploegde grond'. Zo ontstaat een nieuw mensenslag, dat vanonder de `staalhelm' even illusieloos als vastberaden om zich heen kijkt. Hoewel de uitkomst van de strijd vrijwel geheel wordt bepaald door gas, tanks en geschut, is voor de soldaten zelf het belang van moed en tucht niet verminderd. Zonder zich nog te bekommeren om de officiële oorlogsdoelen, kan Jünger daarom schrijven: `Wij konden worden verpulverd, maar niet overwonnen'.

In hetzelfde licht moeten naar mijn idee de gruwelijke, gefascineerde beschrijvingen worden gezien waarmee dit boek is gelardeerd: ze passen bij de nieuwe mens, van wie hier het geboorteuur wordt bezongen. Koel en onaangedaan beziet hij zijn nieuwe biotoop, al blijkt Jünger zelf niet te beroerd om ook even in `snikken' uit te barsten, als de zenuwen het al te zwaar te verduren hebben gekregen.

Met `estheticisme' (zoals Walter Benjamin dacht) heeft het allemaal niet zoveel te maken; dat hoort eerder bij de burgerlijke cultuur, die Jünger niet vreemd was (hij kwam er tenslotte vandaan), maar die hij juist verwoed van zich af probeerde te schudden. Door hem toch op een soort `l'art pour l'art' vast te pinnen, nu gericht op de oorlog in plaats van op de kunst, geeft Benjamin aan Jüngers ervaring van het nieuwe niet serieus te willen nemen. Ongetwijfeld omdat hij er een andere politieke overtuiging op na hield.

Ook in Jüngers visie op de oorlog gaat een politieke overtuiging schuil. Oorlogsroes is niet letterlijk het `dagboek' waarvoor het zich uitgeeft. De tekst is een bewerking van een oorspronkelijke dagboek, dat Jünger nooit aan de openbaarheid heeft willen prijsgeven. In een van de vele voorwoorden (onlangs herdrukt in Jüngers Politische Publizistik) citeert hij er een korte passage uit, bestaande uit niet meer dan een reeks lapidaire kreten, en dan merk je pas hoeveel er achteraf moet zijn toegevoegd.

Daar komt nog bij dat de tekst vervolgens diverse keren ingrijpend is herschreven, in 1925 bijvoorbeeld om de nationalistische boodschap beter naar voren te laten komen en in 1934 en later om die boodschap weer weg te poetsen. Mede dankzij al deze bewerkingen en herschrijvingen zal in de militair Jünger meer en meer de schrijver zijn bovengekomen, de schrijver voor wie hij (na het echec van zijn politieke ambities) definitief heeft gekozen, zonder ooit zijn soldateske herkomst te verloochenen.

Het zwaard en de pen zijn bij Jünger onverbrekelijk met elkaar verbonden, net zoals dat bij Cervantes, zijn grote voorbeeld in deze, en vele anderen het geval was. Te vrezen valt alleen wel dat Jünger van deze eerbiedwaardige traditie de laatste vertegenwoordiger is geweest. Dat iemand uit de legers van George Bush ooit een meesterwerk als Oorlogsroes zal schrijven, uiterst gewelddadig en tegelijk schitterend van stijl, lijkt bij voorbaat uitgesloten.