Hollandse waan en eigendunk

Ik liep met een ingelijste poster van Dante in Florence door een Leidse straat, toen ik werd opgebeld door mijn uitgever. Hij had twee berichten voor me. Het eerste kan ik me niet meer herinneren, het tweede wel. Er was een vliegtuig in het World Trade Center gevlogen. Ik schoot ervan in de lach. Een sportvliegtuigje natuurlijk. Een tragisch ongeluk. Zeker. Een paar minuten later vloog er een tweede vliegtuig in. Dit was geen ongeluk, dit was afgesproken werk. Het sterkste gevoel dat me die avond overviel was er een van verpletterende triestheid. Alsof het abstracte idee van vrijheid oren, neus en een mond kreeg, kon praten en redeneren en zichzelf verklaren. Ze wekte een oneindige sympathie op omdat ze altijd zo kalm in me had geleefd en nu werd ze voor mijn ogen levend verbrand. Ik vergat de Dante op te hangen.

De volgende ochtend keek ik samen met mijn buurvrouw naar een legervliegtuig dat over ons Leidse hofje vloog en ze vroeg: ,,Kennen moslims geen naastenliefde?' Ik vroeg haar of ze me kon helpen de Dante op te hangen. Vijf minuten later stond ze met een boor en een hangertje voor mijn deur. Wat je allemaal doet om de wereld weer een beetje goed te maken. Het is dit vertoon van onmacht dat in Nederland na elf september op allerlei mogelijke manieren te lijf werd gegaan en dat Bas Heijne in Het verloren land aan de kaak stelt.

De onmacht van het ritueel van het rapport bijvoorbeeld. Ondanks al die harde oordelen van de afgelopen jaren kan ik me geen enkel rapport herinneren dat vergaande consequenties heeft gehad, dat een werkelijk waarneembare omslag in het openbaar bestuur heeft veroorzaakt. Dat komt omdat al die rapporten, met alle verwachtingen en de mediahypes waarmee ze omgeven zijn, zelf onderdeel zijn van het probleem. Het zijn voor het merendeel onmachtige bezweringen, onder het mom van rationele, feitelijke bevindingen. Misschien dat daar de oorzaak van het onbehagen ligt dat jarenlang als een tijdbom in Nederland tikte: vermomd idealisme, politieke retoriek die niks in de achterstandswijken oplost, Hollandse waan en eigendunk die nergens op is gestoeld. Het failliet van dit wensdenken kwam na elf september vol aan het licht.

Nederland was zijn vermeende onschuld kwijt en had er een irriterende, licht hysterische psychose voor teruggekregen. Angst overstroomde de krantenkolommen. De Ephimenco's, Elians, Benzakours, Van Dams en Bleichs kruisten de degens. Sommigen hadden een degen van hout, anderen een van staal. Er verscheen een stroom aan artikelen waarin op hoge toon werd geëist dat moslims op moesten houden verstoppertje te spelen. Wie de verzamelde columns van Heijne, met de onzekerheid van die dagen in zijn achterhoofd, herleest, valt op hoe afwezig die angst is en hoe verpletterend nuchter de hysterie wordt ontleed en getemd. Hij legt de vinger op de zere plek: tegen onmacht is niets te doen, geen rapport, woede of oproep tot bombarderen van Afghanistan kan het wegnemen.

Wat zijn we toch een vreemd volk, durft Bas Heijne op eloquente wijze te zeggen. Zo georganiseerd, zo trots op onze voortvarendheid, zo vanzelfsprekend dat het hier en nergens anders zo goed gaat, en toch verliezen ook wij onze zelfbeheersing als de vaste zekerheden lijken te verdwijnen. Nooit klinkt de stoïcijnse toon, het perspectief van iemand die sub specie eternitatis het alledaagse gewriemel bekijkt, beter als in tijden van veronderstelde cholera. En juist omdat Heijne zo nuchter en helder is, komt de kritiek vele malen harder aan.

Een goede columnist neemt een standpunt in, analyseert, scheidt de waan van de dag van flauwekul, kapittelt en trekt ongevraagd een scherpe, verrassende conclusie. Je mag hem of je mag hem niet – een tussenweg kan er niet zijn. Maar Heijne doet meer dan dat. Hij prikt door ego's en persoonlijke ambities heen en legt het gesundes Volksempfinden op de pijnbank. Zijn uitgangspunt is niet wat hij voelt bij een gebeurtenis, maar wat anderen voelen bij een gebeurtenis, hoe partijen en personen – de media incluis – garen spinnen bij de talrijke incidenten.

In zijn opinie klinkt het gedesillusioneerde wereldbeeld door van iemand die net niet de moed verliest. Geloof, illusie en idealisme gaan maar al te vaak verkleed in het bedriegerspakje van de rationaliteit. De wereld is niet wat ze is. Vanuit dit wereldbeeld geselt Heijne de verantwoordelijken die de politieke en sociale actualiteit maakten. Hij legt het wezenlijke probleem van Nederland bloot: een land dat door haar onwerkelijke idealisme de meest uiteenlopende multiculturele plannen en luchtmobiele brigades bedenkt om een doel te bereiken dat via idealistische weg onmogelijk bereikt kan worden. De idealistische bevlogenheid die het trauma-Srebrenica heeft veroorzaakt (pacifistisch oorlogsvoeren), is in wezen dezelfde bevlogenheid die de multiculturele samenleving in de soep heeft doen lopen. Het is allemaal goed bedoeld, het is allemaal op een behoorlijke ramp uitgelopen.

Wat ontbreekt aan Het verloren land is een afsluitend essay dat een poging doet om de anderhalf jaar om te buigen tot een uitgangspunt voor de toekomst. In plaats daarvan sluit Het verloren land af met twee stukken over de Franse kaskraker Emilie Poulain en Nederland dat in een feestroes verkeert, die weinig aan de voorgaande stukken toevoegen.

Bas Heijne: Het verloren land. Opmerkingen over Nederland. Prometheus / NRC Handelsblad, 224 blz. €14,50