Het verleden wordt misbruikt

De Franse intellectueel Tsvetan Todorov heeft veel moeite met het `moreel correcte' denken in Frankrijk. Voor hem was de twintigste eeuw een `tussenfase'.

Tsvetan Todorov is wat je in het Frans een `inclassable' noemt: iemand die je niet in een categorie kunt plaatsen, die nergens bij past omdat hij alle gebruikelijke grenzen overschrijdt. Le Monde probeerde laatst de lezer in verwarring te hulp te schieten door vijf gezichten van de in Bulgarije geboren Fransman te onderscheiden: als eerste dat van de linguist en structuralist, auteur van boeken over poëtica, semantiek, over de Russische formalisten, de theorie der symbolen en het fantastische in de literatuur. Daarna Todorov de historicus, schrijvend over de verovering van Amerika en de cultuur van de Azteken, en Todorov als commentator van grote Franse denkers en moralisten zoals Montaigne en Rousseau. Als vierde de kritisch humanist die de herinnering aan het kwaad en de bekoring van het goede in de twintigste eeuw analyseerde. En tot slot geeft de krant maar een voorzetje voor de toekomst: waarom zou Todorov niet wat meer nadenken over de toekomst van het wetenschappelijk onderzoek, is hij niet sinds 1967 verbonden aan het CNRS, de Franse topinstelling voor universitair wetenschappelijk onderzoek?

Alsof hij zelf ook wat klaarheid wilde brengen in zijn intellectuele parcours, verscheen onlangs in Frankrijk zijn zesentwintigste boek, Devoirs et délices, une vie de passeur, een vraaggesprek met journaliste Catherine Portevin over zijn leven en werk. Het boek gaat van zijn jeugd in Sofia, zijn Duitse vader tot zijn afkeer van het communisme, de `grote leugen' waarin hij achttien jaar leefde (,,zelfs het weerbericht vertrouwden we niet''), van zijn vertrek naar Frankrijk tot zijn visie op het populisme in Europa, zijn stellingname tegen de oorlog in Kosovo en tegen de dreigende oorlog met Irak.

Nadenken over cultuur, moraal en politiek, begrijpen en uitleggen, nuanceren en beargumenteren dat wilde hij van jongs af aan en daarin werd hij een meester. Zijn werk is over de hele wereld vertaald. Een veerman is hij: iemand die, net als zijn vriend de Palestijnse schrijver en denker Edward Saïd, grenzen overschrijdt tussen landen, talen en culturen, tussen verschillende takken van wetenschap, maar ook tussen het gewone en het wezenlijke, het dagelijkse en het `sublieme', tussen het leven van alle dag en het leven van de geest.

In Herinnering aan het kwaad, bekoring van het goede, dat onlangs in een Nederlandse vertaling verscheen, schrijft Todorov over wat hij beschouwt als het wezen van de twintigste eeuw: het kwaad, vertegenwoordigd in het totalitarisme. Stap voor stap analyseert hij de botsing tussen het communisme en het nazisme enerzijds en de democratie anderzijds. Zijn betoog illustreert hij met acht portretten van mensen wier levens door het totalitarisme zijn getekend, die hebben geleden, maar er, in Todorovs visie, op een lucide, exemplarische manier verzet tegen hebben geboden. De Frans-Russische diplomaat en schrijver Romain Gary is er één van: als piloot vocht hij aan de zijde van De Gaulle, later schreef hij onder vier pseudoniemen, in even zoveel talen over slachtoffers en helden, tot hij uiteindelijk zelfmoord pleegde. Een ander is Margarete Buber-Neumann, een Duitse communiste die niet alleen in Duitse concentratiekampen zat maar ook in Russische gevangenissen en later als historica getuigde van de onmenselijke situaties die zij het hoofd moest bieden. De mensen die Todorov portretteert zijn geen slachtoffers gebleven, ze zijn overlevers, bronnen van inspiratie, lichtende voorbeelden van wat Todorov het `kritisch humanisme' noemt.

Toppunt

Wat was Todorovs uitgangspunt bij dit boek over de twintigste eeuw? In een klein kamertje in het sfeerloze gebouw van de Hogeschool voor Sociale Wetenschappen aan de boulevard Raspail in Parijs, wikt en weegt Tsvetan Todorov (63) zijn woorden, aimabel en geconcentreerd. ,,Ik ben in 1939 geboren in Bulgarije, in het jaar dat het pact tussen Duitsland en de Sovjet-Unie werd gesloten, bijna op het moment waarop de twee voogden van het totalitarisme, Stalin en Hitler, elkaar de hand schudden. Het was het slechtste moment van de eeuw. Sofia werd geëvacueerd, mijn hele familie vluchtte naar een huis buiten de stad. De Russen liepen Bulgarije onder de voet, gevolgd door vijfenveertig jaar communisme. In 1963 ben ik naar Frankrijk gegaan, voorgoed, heen en weer reizen kon niet in die tijd. Mijn leven is door de oorlog en het totalitarisme bepaald: het bleken de meest wezenlijke gebeurtenissen van de twintigste eeuw. Natuurlijk kun je meer afstand nemen en zeggen dat de emancipatie van de vrouw of de dekolonisatie in die eeuw het belangrijkste waren, maar ik kijk als Oost-Europees individu naar de geschiedenis.''

Todorov beschouwt de twintigste eeuw als een `tussenfase', de eenentwintigste eeuw pakt de zaken weer op waar de negentiende ze had laten liggen. ,,Aan het begin van de twintigste eeuw was er kritiek op de democratie, die nogal wat gebreken bleek te hebben. Het communisme was een van de pogingen om de burgermaatschappij radicaal van zijn kwalen te genezen. Met de val van het IJzeren Gordijn en het instorten van de communistische regimes werd de tussenfase afgesloten en wat bleek? Europa worstelde nog steeds met antisemitisme, racisme, nationalisme. Dezelfde problemen. Die tragische midden-episode beschouwen we nu als een remedie die erger was dan de kwaal. Met het geloof in de vooruitgang was het afgelopen: het totalitarisme was een vernieuwing en erger dan alles wat eraan vooraf ging. Wat we van de twintigste eeuw leren, is dat de geschiedenis onbepaalbaar is: zowel goed als kwaad kan in het verschiet liggen, vandaar onze eigen verantwoordelijkheid. De mens beïnvloedt zijn eigen lot.''

In zijn poging de twintigste eeuw te begrijpen onderzoekt Todorov hoe het verleden doorleeft in het heden. De `getuige' doet een beroep op zijn herinneringen, levert die als ruw materiaal aan de `historicus' die het verleden analyseert, reconstrueert en op zoek gaat naar de onpersoonlijke waarheid. Todorov noemt ook de `herdenker', waarbij de goede verstaander enige ironie bespeurt. Todorov: ,,In Frankrijk is er sprake van een cultus van de herinnering. Ieder beroep op een herinnering uit het verleden is per definitie positief, iemand die dat doet is altijd heldhaftig. Je moet niet voor het verleden buigen, het is geen icoon. Je kunt altijd wel iets in het verleden vinden dat je gedrag van nu rechtvaardigt. Je moet het verleden juist kritisch reconstrueren. Monumenten, rituelen, lofredes ik wantrouw ze. Herdenken houdt wraakgevoelens in stand: het levendig houden van de herinnering aan de Franse nederlaag in de oorlog van 1870-71 leidde ertoe dat respectabele personen stonden te juichen bij de oorlogsverklaring van 1914, terwijl dat een van de grootste slachtingen uit de geschiedenis van de mensheid zou worden. Neem, recenter, het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Hoe lang laten we de Palestijnen nog boeten voor de fouten van Duitsers en collaborateurs tijdens de Tweede Wereldoorlog? Steeds als de Palestijnen iets wordt onthouden, wordt het lijden van de joden, zestig jaar eerder, in herinnering gebracht. Dat is typisch misbruik van de herinnering. Het steeds maar in herinnering brengen van die genocide helpt ons niet verder bij de huidige problemen rond de immigratie of de opkomst van het populisme. Mijn boek is geschreven tegen die gemakkelijke demagogie, tegen het moreel correcte.''

Compromitterend

Todorov spreekt liever van `moreel correct' dan van `politiek correct': vaak gaat het immers niet zozeer om een politiek als wel om een moreel oordeel. In Frankrijk slaat dat vooral op compromitterende houdingen ten aanzien van extreem-rechts of racisme: als iemand zich daar niet voldoende van distantieert, wordt hij snel moreel incorrect bevonden. Als voorbeeld noemt Todorov de affaire rond Renaud Camus, een jonge schrijver die onlangs wegens enkele romanpassages van racisme werd beschuldigd. ,,Dat moreel correcte verstikt het debat, het is een mijnenveld, zodra je je niet comme il faut gedraagt of op dat punt onduidelijke uitspraken doet, word je door de media bestraft.''

Nederland wordt in het buitenland nogal eens gezien als een moraalridder, maar Todorov, specialist op het gebied van de moraal, associeert Nederland niet met het geheven vingertje van deugdzaamheid. ,,Nederland, als land van tolerantie, heeft al sinds de zeventiende eeuw de zware taak om te tonen hoe je universele idealen kunt verzoenen met de tolerantie van verschillende tradities en culturen. Ik ben een universalist. Toen ik in Frankrijk ging wonen, besloot ik me te onderwerpen aan de leefregels die er golden, tenzij ze mijn waardigheid zouden schaden. Dat is het pact dat je als individu van elders sluit met het land dat je opneemt.''

Onder universalisme verstaat Todorov de van oorsprong stoïcijnse, in de Verlichting uitgewerkte gedachte van de gelijkheid van de mens alsmede die van eenheid met behoud van culturele veelvormigheid.

Nederlanders zijn volgens hem nieuwsgieriger naar het culturele leven in andere landen dan bijvoorbeeld Fransen. Het internationale tijdschrift La lettre internationale, een Europees forum voor debat, samengesteld uit vertalingen van essays en literatuur uit allerlei Europese landen en een Oost-Europees initiatief, ging in Frankrijk al snel teloor. ,,In Frankrijk wil men eigenlijk alleen weten wat er in Frankrijk gebeurt.'' Nederland belichaamt voor Todorov vooral een culturele traditie. In zijn boek over de Nederlandse schilderkunst van de zeventiende eeuw, L'éloge du quotidien (1993), analyseert Todorov hoe de dagelijkse, routinematige handeling, onder het voorwendsel van religieuze symboliek, status verwerft en dus afgebeeld mag worden. Sterker nog, het gewone wordt verheven tot schoonheidsideaal. Todorov: ,,Neem een schilderij van Pieter de Hoogh of van Gerard Terborch waarop je een moeder haar kinderen ziet ontluizen of een knol ziet schoonmaken. Die eenvoudige gebaren zijn evenzovele incarnaties van schoonheid! De Nederlandse schilders uit de zeventiende eeuw hebben ons laten ontdekken dat de wereld om ons heen mooi kan zijn. Dat was een revolutie!''

Hypocriet

Todorovs afkeer van ongenuanceerde uitspraken, van extreme posities en zijn lofzang op de gematigdheid komen voort uit zijn kritisch humanistische overtuiging. Het humanisme, waaraan hij in 1998 zijn essay De onvoltooide tuin wijdde, is voor hem de ideologische grondslag van de democratie. ,,De humanistische gedachte universalisme van de menselijke soort, gelijkheid voor de wet, gelijkwaardigheid van allen, de mens als doel van al het handelen, vrijheid van het individu is in het verleden misbruikt. In naam van het humanisme werden delen van de wereld gekoloniseerd en arbeiders uitgebuit. Het was een hypocriet discours dat imperialistische en kapitalistische motieven moest verhullen. Het neo-humanisme is van na Auschwitz, van na Kolyma, van na Hiroshima en Stalingrad. Kritisch humanisten zijn schrijvers die ik in mijn boek portretteer, als Primo Levi, Vasili Grossman of Romain Gary – zij hebben de mens als de personificatie van het kwaad gezien. De kritisch humanisten van nu zijn geen mensen die anderen voortdurend diensten bewijzen, het zijn geen gezworen pacifisten. Het zijn mensen die in het welzijn van de mens ondanks alles het enige legitieme doel zien. Niet het grote idee telt, maar het individu.''

Todorov gelooft niet in een terugkeer van de utopieën, daarvoor zijn de ervaringen met nazisme en met communisme te traumatiserend geweest. Maar de democratie van de eenentwintigste eeuw wordt geconfronteerd met andere gevaren. ,,Het populisme van extreem rechts is vijand nummer één. Het populisme propageert dat er één oorzaak is voor alle ellende en dat er een eenvoudige remedie tegen bestaat. Onze grote Franse populist Le Pen had een slogan verzonnen, die die houding goed illustreert: `drie miljoen werkelozen, drie miljoen immigranten', een formule die alleen maar suggereert, zonder een conclusie te trekken. Het populisme is een reëel gevaar in een tijd waarin Europa geen echte externe vijand meer heeft en waarin politieke propaganda voornamelijk via de televisie plaatsvindt: een slimme redenaar die in slogans de taal van het volk spreekt doet het goed in een tijd waarin de concentratie korter wordt. Ze bieden miraculeuze, efficiënte oplossingen. Populisten hebben vaak succes als de traditionele politieke klasse weigert maatschappelijke problemen te erkennen, ze moreel correct afdoet en daarbij door de media gesteund wordt. Le Monde, de grote drager van het politiek correcte in Frankrijk, spreekt bijvoorbeeld nooit van `onveiligheid', maar altijd van `een gevoel van onveiligheid'. Daarmee wordt gesuggereerd dat het wel aan de mensen zelf zal liggen. Iedere suggestie van een anti-immigrantenhouding is immers uit den boze.''

Een andere `ontsporing' die de democratie bedreigt is door Todorov in zijn boek `de verleiding van het goede' genoemd. ,,In naam van mooie idealen gaan we morgen oorlog voeren in Irak. In naam van de mensenrechten, van vrede en gerechtigheid gaan we over tot het ergste kwaad. De VS beschouwen zich als de reïncarnatie van het goede en menen dat op te mogen leggen door middel van geweld: ze zijn nu eenmaal de sterksten. Al twee jaar leven we met de voortdurende dreiging van het terrorisme, sterker dan ooit tevoren. Dat terrorisme zit niet in Irak: dat is een totalitaire staat die alles controleert. Terroristen kunnen alleen terecht in zwakke staten. Om het terrorisme te bestrijden is het aanvallen van een Arabische, islamitische staat wel het laatste wat je moet doen. Kant zei het al: oorlog heeft geen rechtvaardiging nodig buiten zichzelf, de macht wordt gezocht om de macht. Ik zie geen enkele rechtvaardiging voor de oorlog tegen Irak.''

Het derde gevaar dat volgens Todorov de huidige democratie bedreigt is de `instrumentele' ontsporing. Men houdt zich veel te vaak alleen maar bezig met de middelen die tot een doel moeten leiden, zonder dat men zich afvraagt of dat doel wel legitiem is. ,,Kijk hoezeer de medische wetenschap haar eigen doel is geworden. De machines moeten goed werken, de gegevens moeten worden verzameld, maar men vergeet het individu, terwijl het om hem moet gaan! Hetzelfde geldt voor de economie, de school, de rechtspraak, de werkvloer. Wij onderwerpen ons aan de instrumenten, aan de middelen, in plaats van andersom. Daar moet je steeds maar verzet tegen bieden, doodmoe word je ervan. Rousseau zei al dat de mens altijd kan berusten bij wijze van verzet en dat is voor mij eigenlijk de definitie van het humanisme. Die vrijheid is onze zwakheid en onze grootheid.''

Tzvetan Todorov: Herinnering aan het kwaad, bekoring van het goede. Vert. door Frans de Haan, Atlas.

De onvoltooide tuin, vert. door Frans de Haan, Atlas.

Devoirs et Délices, une vie de passeur, Seuil.

L'éloge du quotidien, Essai sur la peinture hollandaise du XVIIe siècle, Adam Biro.