Het laatste Happy Meal

Na de strijd tegen drugs en tegen het terrorisme, staan de Verenigde Staten nu aan de vooravond van de `War on Fat'. Overgewicht is een van de grootste bedreigingen voor de volksgezondheid, blijkt uit twee spraakmakende aanklachten tegen dik Amerika. Maar de `supersize-maatschappij' is niet alleen een Amerikaanse nachtmerrie.

New York, 2020. Johnny staat op, na een slapeloze nacht. Hij stapt uit zijn kingsize bed en loopt naar de spiegel. Nieuwe pukkels, donkere randen rondom zijn ogen, zwarte plekken in zijn nek. Acanthosis nigricans, zo heet deze zeldzame huidziekte, die veroorzaakt wordt door te veel insuline in het bloed. Hij probeert ze te bedekken met de make-up van zijn vrouw. Dan zet hij zijn eerste spuit insuline van die dag en neemt de voorgeschreven medicatie tegen zijn hartproblemen. Johnny is 35 jaar, en zal nog drie, vier jaar te leven hebben. Hij weegt 300 kilo en vormt geen uitzondering.

Recente alarmerende berichten over de nationale gezondheid in Verenigde Staten nopen tot dit sombere visioen. De New York Times meldde begin dit jaar een diabetes type 2-epidemie onder jonge kinderen, een vorm van suikerziekte die veroorzaakt wordt door slechte eetgewoonten en die normaal gesproken alleen bij volwassen voorkomt. Hart- en vaatziekten, veroorzaakt door overgewicht, worden inmiddels een grotere `killer' dan het terrorisme genoemd: jaarlijks sterven 300.000 Amerikanen aan hun vetzucht. Overgewicht blijkt even slecht te zijn als roken. Amerikaanse wetenschappers concludeerden onlangs dat overgewicht vanaf twintigjarige leeftijd het leven met twintig jaar kan verkorten. Inmiddels is 65 procent van de volwassen Amerikaanse bevolking, 135 miljoen Amerikanen, te dik. De extra kosten zijn schrikbarend: zwaarlijvigheid kost de overheid 117 miljard dollar per jaar aan gezondheidszorg. De King Size-maatschappij is overigens niet louter een Amerikaanse nachtmerrie. Nederland is – na de VS, Groot-Brittannië en Duitsland – vierde op de lijst van landen met een overgewichtsprobleem. Vier op de tien volwassen Nederlanders is te dik, en 1 op de 5 kinderen.

In de Amerikaanse pers lokten de cijfers een storm van reacties uit. Na een War on Drugs, een War on Terrorism, lijkt Amerika zich klaar te moeten maken voor een nieuwe oorlog: de War on Fat. Maar tegen wie moet die oorlog gevoerd worden? Wie is er verantwoordelijk voor dik Amerika? Onlangs spanden twee Amerikaanse tieners een proces aan tegen McDonald's, die zij de schuld gaven van hun overgewicht. De rechter stelde hen in het ongelijk. Niemand had de jongens toch gedwongen om bij McDonald's te eten? Een mens met een beetje verstand wéét toch dat het consumeren van vijf happy meals per week niet gezond is? Critici wijzen er echter op dat de voedselgigant hun marketing bewust op jonge, onzelfstandige kinderen richt. Zijn hun ouders dan verantwoordelijk? Misschien, maar goede gewoonten die thuis zijn geleerd worden op school verpest. Schoolkantines serveren taco's, pizza's, hamburgers, cola en frites. Waarom grijpt de overheid niet of nauwelijks in? Waarom dijt Amerika verder uit?

Wie dat wil begrijpen, kan terecht bij twee nieuwe, spraakmakende studies over dik Amerika: Fat Land van Greg Critser en Food Politics van Marion Nestle. Beide boeken zijn felle aanklachten tegen de voedselindustrie, en doen wat thematiek, toon en opzet betreft sterk denken aan recente politiek bevlogen boeken als No Logo van Naomi Klein, een antikapitalistisch betoog tegen de `logo-isering' van de samenleving, en Eric Schlossers Fast Food Nation, dat een ontluisterende blik biedt op de werkomstandigheden en praktijken van de fast food-industrie. De boodschap van Critser en Nestle is duidelijk: vet is een politiek probleem. Multinationals, waaronder de voedselgiganten, zijn geïnteresseerd in winst, niet in mensen. Daarnaast is de overheid steeds meer een verlengstuk van het bedrijfsleven geworden. En bovenal: de keuzevrijheid van de consument is een mythe.

Fat Land, een meeslepende mix van reportage, sociologische studie en onderzoeksjournalistiek, begint met Critsers persoonlijke worsteling met zijn overgewicht. Dat deze columnist van USA Today er zelf wèl in slaagde om zijn overtollige kilo's te verliezen, was volgens hem geen triomf van zijn wilskracht, maar `een triomf van mijn economische en sociale klasse'. Hij had het geld om een diëtiste te betalen, zich aan te melden bij een sportschool en onder begeleiding te trainen, en om duurdere en betere producten te kopen. Vetzucht, aldus Critser, komt disproportioneel voor onder de arme bevolking, zwarte Amerikanen en latino's. De voedselindustrie buit hun zwakke economische positie handig uit, door hun ketens vooral in arme buurten te plaatsen. Het weinige geld dat beschikbaar is, wordt zo besteed aan het eten dat het goedkoopste en het slechtste is: junkfood.

De zwarte jeugdcultuur stimuleert bovendien dik-zijn. Idolen als Fat Joe, de ontdekker van Big Pun (698 pond) maken van een nood een deugd, en promoten in hun rapteksten zwart zelfrespect als het om lichaamsomvang gaat: `Black fat is beautiful', ofwel: zwart vet is niet iets om je voor te schamen, het is cool. Pun stierf op 29-jarige leeftijd aan een hartaanval. Ook onder zwarte meisjes en vrouwen wordt het dikzijn aangemoedigd, dankzij de `zwarte' schoonheidsmythe die zegt dat zwarte mannen meer van ronde zwarte vrouwen zouden houden: veel bil, buik en borst. Critser stelt dat het hoog tijd is om de medische gevaren van overgewicht duidelijk te maken aan het zwarte publiek. De vrees van voorlichters dat zwarte meisjes dan net zo geobsedeerd zullen raken door hun gewicht als witte meisjes, met mogelijk meer anorexia- en boulimia-patiënten, is volgens Critser ongegrond. Anorexia is een `upperclass white woman's disease'.

Hoe slaagt de voedselindustrie erin om zoveel klanten aan zich te binden en ze steeds meer te laten eten? Critser vestigt de aandacht op enkele marketing-genieën, die weten hoe je een bevolking vet kan mesten. Een van hen is McDonald's-chef David Wallerstein, de uitvinder van het `supersizen'. Als voormalig snackverkoper in een bioscoop, ontdekte hij het volgende: mensen zullen zelden een tweede drankje of snack nemen. Dan voelen ze zich een gulzige veelvraat. Wat ze wel doen, is een extra grote portie nemen, die relatief net iets goedkoper is dan de normale portie: de `Big Mac', de `Big Gulp', de `Jumbo Fries'. Steeds meer industrietakken namen de strategie van het `supersizen' over. Ron Magruder, hoofd van de Italiaanse restaurantketen Olive, kwam zijn dikke klanten bijvoorbeeld tegemoet met de extra grote comfortabele stoel, en de kledingindustrie kwam met de `baggy clothes'.

Nestle laat in haar goed onderbouwde, harde aanklacht tegen de voedselindustrie – een van de snelst groeiende markten met een omzet van 900 miljard dollar per jaar – zien dat die een agressief beleid voert. Omdat de voedselproductie in de Verenigde Staten veel sneller stijgt dan het aantal consumenten, zet de voedselindustrie alles op alles om de consument ervan te overtuigen dat er méér gegeten moet worden. De industrie spant daarbij de overheid, de wetenschap en de consument voor haar karretje.

Nestle, hoogleraar Nutrition and Food Studies aan de universiteit van New York, zat jarenlang in voedseladviescommissies van de overheid, en was betrokken bij het opstellen van `The Food Guide Pyramid', een nationale richtlijn voor gezonde voeding, vergelijkbaar met de Nederlandse `schijf van vijf'. Haar boek begint met een onthullend exposé over de moeizame totstandkoming van die richtlijnen. Ze laat zien dat de vlees- en zuivelindustrie met succes de overheid onder druk zette om subtiele veranderingen in de piramide aan te brengen. Zo werd de aansporing `Kies altijd mager vlees' omgezet in het mildere en vage `Neem twee of drie porties vlees per dag'.

Dat de overheid zo vriendelijk is voor de voedselindustrie, is volgens Nestle eenvoudig te verklaren: `Follow the money.' Via lobbygroepen – de zogeheten `PACs', de Political Action Committees' – komt jaarlijks een half miljard binnen voor verkiezingscampagnes. Daarvan is het merendeel afkomstig van bedrijven. Daarnaast schenken verschillende bedrijven geld rechtstreeks aan de partijen. Zo ontvingen de Democraten 1,1 miljoen dollar van verschillende landbouwbedrijven, en de Republikeinen, die een bedrijfsvriendelijker politiek voeren, 1,4 miljoen dollar. Coca-Cola ondersteunde van 1997 tot en met 1999 de Democraten met 215.000 dollar en de Republikeinen met 394.000 dollar. Boeken, drank, vrijkaartjes voor het theater en royale lunches behoren tot de cadeaus die Congresleden gretig in ontvangst nemen. Hoewel de kieswet sinds enkele jaren restricties oplegt aan dergelijke individuele giften, maakten senatoren en hun stafleden in 1997 nog voor 8,6 miljoen dollar geheel door de vleesindustrie verzorgde reizen, om een door hen georganiseerd congres bij te wonen op een aangename vakantiebestemming.

De belangenverstrengeling wordt zichtbaar via het `draaideursysteem'. Na een politieke carrière, biedt de voedselindustrie nieuwe topbanen. `De ambtenaar van vandaag is de lobbyist van morgen', schrijft Nestle. In 1998 waren 128 voormalige Congresleden geregistreerd als lobbyist; en tussen 1993 en 1998 vond 42 procent van voormalige stafleden van de Senaat een baan in het bedrijfsleven als lobbyist.

Ook de wetenschap is financieel afhankelijk van de voedselindustrie. Nestle laat zien dat de subsidiëring van wetenschappelijke onderzoek door de voedselindustrie soms de resultaten van het onderzoek beïnvloedt. Een auteur wiens onderzoek gesubsidieerd wordt door The Egg Nutrition Center, concludeerde bijvoorbeeld dat het dagelijks eten van twee eieren gedurende twaalf weken niet schadelijk is voor het cholesterolgehalte, terwijl zijn bevindingen door meerdere onderzoeken waren tegengesproken.

Schokkend zijn de hoofdstukken waarin Nestle laat zien op welke wijze de voedselindustrie haar marketing richt op jonge kinderen, met de veelzeggende titel `Exploiting kids, corrupting schools'. Om ervoor te zorgen dat de jongste `sophisticated shoppers', kinderen van zeven, acht jaar, hun zakgeld naar hen brengen, begint marketing zo vroeg mogelijk. Een Amerikaans kind kijkt gemiddeld 22 uur per week naar de televisie, peutertelevisie is dus een van de voor de hand liggende mikpunten. De Teletubbies worden gesponsord door Burger King en McDonald's. De voedselindustrie deelt verder gratis schoolspullen uit: schriften en pennen met het logo van Coca-Cola, en leerboekjes, waarbij kinderen leren rekenen aan de hand van de snacks van bedrijven: snoepjes, koekjes en zakjes chips. Ook babyflesjes worden voorzien van logo's van frisdrankbedrijven. Funest voor de gezondheid van jonge kinderen zijn de `Pouring contracts': de contracten die Amerikaanse highschools afsluiten met frisdrankgiganten. Een Amerikaanse middelbare school in Albany incasseerde 667.000 dollar van Coca-Cola, onder de toezegging dat de komende vijf jaar alleen dit merk cola geschonken mocht worden.

Hoe kan voorkomen worden dat Amerika nog verder uitdijt? Critser en Nestle geloven het meest in preventie: zorgen dat je niet dik wordt. Ze zien een grote rol weggelegd voor de overheid. Die moet zorgen voor betere voedselvoorlichting en mensen aanmoedigen om minder te eten en meer te bewegen. Een overheidscampagne zou een voorbeeld moeten nemen aan de succesvolle anti-rookcampagne, aldus Nestle. Hoewel ze onderkent dat de simpele boodschap daarvan (niet roken, want dat is slecht) niet zonder meer kan worden overgeheveld naar eten (niet eten), zijn de volgende ingrediënten van belang: een duidelijke boodschap over wat gezond is en wat niet, duidelijkheid over wetenschappelijke onderzoeksresultaten, aandacht voor de leefomstandigheden van de overeter. Critser voegt eraan toe dat ook `veiligheid' een speerpunt van overheidsbeleid moeten zijn: zwarte en arme Amerikanen wonen vaak in onveilige buurten, en dat betekent dat ouders hun kinderen liever binnenhouden, en beweging dus niet kúnnen stimuleren. Beide auteurs bepleiten een `fat tax', een belastingheffing op junkfood, en de parallelle overheidssubsidiëring van onbewerkte groenten en fruit.

Voedseleducatie begint thuis, en met name Critser ziet dan ook een grote rol voor de ouders weggelegd. Ouders zijn vaak te druk om behoorlijk voor hun kinderen te koken. De televisie wordt te makkelijk als `kinderoppas' gebruikt. Enigszins moralistisch wijst Critser op de toename van vrouwen in het arbeidsproces, die volgens hem mede heeft veroorzaakt dat vrouwen de zorg voor hun kinderen uit het oog verliezen en dat het eten niet langer thuis wordt bereid. Hier verliest hij zijn eigen economische en etnische uitgangspunt uit het oog. In veel gevallen zijn twee inkomens een noodzaak en geen luxe; ook is het aantal zwarte alleenstaande arme vrouwen met jonge kinderen relatief hoog, en tot slot kunnen ook vaders participeren in de voeding en gezond leren koken.

Hoewel ook Nederland recentelijk steeds alarmerender cijfers over het overgewicht van de bevolking heeft moeten incasseren, lijkt hier nog lang geen sprake van een oorlog. Michiel Korthals, hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Wageningen, schreef een informatieve en breed uitwaaierende filosofische studie over de ethische dilemma's rondom eten, bijvoorbeeld overhet wel of niet eten van vlees en genetisch gemodificeerd voedsel. Korthals signaleert dat er iets fundamenteels mis is met het voedselsysteem. Behalve op het probleem van overconsumptie, wijst hij ook op recente epidemieën als de gekkekoeienziekte en varkenspest, die de consument in verwarring hebben gebracht over wat gezond is en wat niet. Ook Korthals stelt de vraag wie verantwoordelijk is. Moet de consument het zelf uitzoeken en moet de overheid slechts randvoorwaarden bepalen of is een sterkere rol van de overheid in de voedselproductie noodzakelijk?

Na een wat opsommerige, abstracte afweging van diverse ethische theorieën van onder anderen Kant, Rawls en Habermas, komt Korthals met de filosofische voedselvariant van het poldermodel. Hij pleit voor een `communicatieve of deliberatieve benadering waarin allerlei vormen van overleg tussen consumenten en producten (en andere betrokken, zoals overheden) centraal staan.' Wat daarmee precies bedoeld wordt? Zie de laatste zonnige kreet van het boek: `Geniet en overleg met boeren, winkeliers, koks, restauranthouders, je huisarts en producenten over je favoriete manier van eten!'

De toon in Amerika is aanzienlijk harder. De `Food Wars' zijn nog maar net begonnen. In een voorpublicatie van zijn boek The Last American Diet in het opinieblad The New Republic, viel hoogleraar Paul Campos van de Universiteit van Colorado-Boulder onlangs de belangrijkste aanname van boeken als Food Politics en Fat Land aan, namelijk dat vet de grootste bedreiging vormt voor de volksgezondheid. Campos stelt dat een zittende levensstijl de werkelijke vijand voor de volksgezondheid is. Wie dik is, maar voldoende beweegt, hoeft zich geen zorgen te maken. Hij ontpopt zich als een apologeet van de voedselindustrie, wanneer hij concludeert dat een beetje vet zelfs gezond is.

Dergelijke berichten maken de verwarring omtrent wat gezond is en wat niet nog groter. Maar dat is nu juist, zo betoogt Nestle, een van de imperatieven van de voedselindustrie. Immers, wanneer nieuwsberichten elkaar steeds weer tegenspreken, haalt het verwarde publiek zijn schouders op en zet zijn eetgewoonten rustig voort. Nu de winst van McDonald's al enkele jaren afneemt en het besef onder de bevolking groeit dat gezond eten van levensbelang is, is een nieuwe miljoenenindustrie op komst: die van de `health foods', waartoe onder meer `light'-producten (bijvoorbeeld de `McLeanBurger') worden gerekend. De vetvervanger olestra maakt het mogelijk om vetvrije chips, ijs en koeken te produceren. Volgens Nestle wekt de industrie in haar advertenties de valse suggestie dat we weer mateloos kunnen consumeren en zelfs zullen afvallen. Maar het product mag dan vetvrij zijn, het is niet calorieënvrij. Kortom, de industrie die het meeste profiteert van de boodschap dat mensen te dik zijn, en vetzucht op subtiele wijze in stand weet te houden, is de voedselindustrie.

In het laatste kerstnummer deed het weekblad The Economist een andere voorspelling. Binnen nu en tien jaar wordt de Verenigde Staten overspoeld door een golf van rechtszaken waarbij de fastfoodindustrie met succes verantwoordelijk zal worden gehouden voor de nationale doodsoorzaak nummer één: obesitas. Er is één onderneming in Amerika waar meer geld in omgaat dan in de sigarettenindustrie en de voedselindustrie tezamen en die flink profiteert van de `War on Drugs' en de `Food Wars': het Amerikaanse recht. `Law is now America's largest industry, and therefore ripe for attack', aldus The Economist.

Eens even kijken. Wie is Paul Campos eigenlijk? Zie de kleine lettertjes, onder aan het artikel: professor in de rechten. Hij krijgt het druk, de komende tijd.

Marion Nestle: Food Politics. How the Food Industry Influences Nutrition and Health. University of California Press, 460 blz. €41,50

Greg Critser: Fat Land. How Americans Became the Fattest People in the World. Houghton Mifflin, 234 blz. €32,–

Michiel Korthals: Voor het eten. Filosofie en ethiek van voeding. Boom, 296 blz. €19,50