Geen reden tot lachen

Filosofen vragen zich al sinds Plato af waarom we lachen. Het lijkt wel of de lach steeds aan hun redeneringen ontsnapt. Alle filosofische verhandelingen over dit fenomeen kenmerken zich door hun eenzijdigheid; ze zijn alleen toepasbaar op de categorie humor waar de filosoof het meest vertrouwd mee is. Bovendien worden die verhandelingen vaak ontsierd door flauwe grappen. Zo vertelt Kant in de Kritik der Urteilskraft (1790) over een indiaan die geconfronteerd wordt met een biertje, en zich afvraagt hoe ze al dat schuim ooit in die fles hebben gekregen. `We lachen hier hartelijk om', schrijft Kant, `niet omdat we ons slimmer achten dan deze onwetende, maar omdat onze gespannen verwachting plotseling in het niets verdwijnt'.

Een theorie van de humor kan eigenlijk niet grappig zijn, zoals je om een mop die wordt uitgelegd ook niet meer lachen kunt. Toch blijft humor een `mooi onmogelijk onderwerp voor een filosoof' vindt Simon Critchley, hoogleraar filosofie aan de universiteit van Essex. Zijn boek Humor verscheen in de reeks Routledge Filosofie, waarin volgens de flaptekst steeds op toegankelijke wijze voor een breed publiek een `actueel thema' behandeld wordt. Critchleys belangrijkste stelling is dat een bepaald soort humor terugvoert naar gedeelde `leefwereldpraktijken' en bovendien aangeeft hoe deze praktijken verbeterd zouden kunnen worden. Hij meent zelfs dat er een `bevrijding of verheffing' van humor uitgaat.

Critchley zet zich dan ook af tegen de oude `superioriteitstheorie' van Plato, Aristoteles en Hobbes. Volgens die theorie lachen we als we een ander, bijvoorbeeld de indiaan van Kant, belachelijk vinden. Dit soort humor maakt de wereld er niet beter op, en wordt door Critchley dus niet tot de `ware humor' gerekend. `In diepste wezen is humor het bespotten en ironiseren van het zelf', vindt hij, en via Freuds essay Der Humor (1927) komt hij tenslotte uit op de humor als `antidepressivum', een middel dat ons helpt onszelf te accepteren. Deze therapeutische opvatting is modieus, en bovendien even eenzijdig als alle andere lachfilosofieën. Critchley geeft overigens toe dat humor `misschien wel altijd gedomineerd zal blijven worden door een lachen om anderen'.

Er worden interessante ideeën opgerakeld in Humor, maar de auteur gaat nooit ergens diep op in. Hij schaart zich nu eens achter Shaftesbury en Plessner en dan weer achter Bergson en Freud. Bovendien zijn de grappen die Critchley aanhaalt om zijn redeneringen te verduidelijken meestal niet leuk. Ook de grap over Kant niet, die in een toneelstuk van Thomas Bernhard zogenaamd onderweg is naar Amerika om een eredoctoraat van de Columbia University in ontvangst te nemen. Kant reist samen met zijn papegaai Friedrich, die over `enorme filosofische bekwaamheden' beschikt. Dat is misschien een beetje leuk als je weet dat Kant helemaal geen papegaai had en nooit een stap buiten Königsberg heeft gezet, maar dat vertelt Critchley er niet bij. Het brede publiek zal er niet om kunnen lachen.

Simon Critchley: Humor. Vertaald door Gertjan Cobelens. Routledge Filosofie, 132 blz. €19,60