Geen palet voor de boeren

In de onlangs in deze krant verschenen serie portretten van schrijvers die net náást de Nobelprijs voor literatuur grepen, zou een artikel over de grootste schrijver van Kroatië, Miroslav Krleza, niet hebben misstaan, want ook hij heeft na de Tweede Wereldoorlog jarenlang behoord tot het illustere gezelschap van eeuwig genomineerden. Krleza (1893-1981) is de auteur van een enorm oeuvre – zijn verzamelde werken tellen meer dan vijftig delen –, waarin zo'n beetje alle literaire genres in overvloed zijn vertegenwoordigd: gedichten, toneelstukken, verhalen, romans en essays.

Of dit nog niet genoeg was, bekleedde hij na de oorlog jarenlang de functie van directeur van het Lexicografisch Instituut in Zagreb en speelde hij een actieve rol in het literaire leven van zijn vaderland. Zijn leven valt vrijwel geheel samen met dat van de markantste Joegoslaaf van de twintigste eeuw, de stichter van de Joegoslavische Volksrepubliek Tito (1892-1980), met wie hij, als antistalinistische communist (in 1926 publiceerde hij al een negatief reisverslag over de Sovjet-Unie, wat hem door de communisten zeer werd kwalijk genomen) een niet altijd even gemakkelijke, maar over het geheel genomen redelijke relatie had. Misschien werd hij wel te zeer vereenzelvigd met Tito's regime om hem voor de Nobelprijsjury acceptabel te maken.

Krleza's gigantische oeuvre is, ruim twintig jaar na zijn dood, nog maar mondjesmaat tot ons land doorgedrongen. In 1996 en 1997, met een aan hem gewijd nummer van Raster en met de verschijning van een verhalenbundel en een autobiografische roman, leek er even sprake te zijn van een doorbraak, maar daarna werd het weer stil rond deze Kroatische Vestdijk. Tot eind vorig jaar opeens een vertaling verscheen van wat algemeen als een van zijn beste boeken wordt beschouwd, De terugkeer van Filip Latinovicz, geschreven in 1932.

Pannonië

De hoofdpersoon, Filip Latinovicz, keert na een afwezigheid van drieëntwintig jaar terug naar zijn geboortegrond, die in dit boek consequent Pannonië wordt genoemd, de Romeinse naam voor het gebied dat tegenwoordig Noord-Kroatië is. Zijn vertrek op jeugdige leeftijd was niet vrijwillig geweest: na een bezoek aan het plaatselijk bordeel had zijn moeder hem de deur uitgezet. De jonge Filip is hierop naar het buitenland vertrokken, waar hij een succesvol kunstschilder is geworden, een fauvist of expressionist. Nu keert hij terug uit Parijs om zijn moeder te bezoeken, maar vooral om erachter te komen wie zijn vader eigenlijk is, want zijn afkomst is in nevelen gehuld. Duidelijk is dat zijn moeder, die een tabakswinkel drijft, verschillende relaties had, onder andere met een prelaat. Zijn vaderland is nog praktisch onveranderd, alleen maakte het vroeger deel uit van een heus keizerrijk met een strikte hiërarchie waarin alle mensen hun plaats wisten, en is het nu aan zichzelf overgelaten.

In de eerste hoofdstukken lijkt het verhaal zich te concentreren op de zoektocht naar Filips afkomst en dus naar zijn identiteit. Daarnaast wordt een voorname plaats ingeruimd voor de tegenstelling tussen de kunstenaar die behoort tot de Europese elite, en zijn achterlijke geboorteland, dat door Krleza in zeer Bruegheliaanse beelden wordt beschreven: `De stank van die dronken veehoeders en de behaarde vette achtersten van hun dikke merries, de stortvloed van bier en honinglimonade, de verscheurde stukken vlees en het hysterische gebrul van stemmen, de harige golvende massa billen, kroepen en dijen, dikke, vlezige vrouwenbenen, knokkels, gewrichten, rokken, briesende paarden, begerige navels, darmen en vlees in vlees.'

Een twintigste-eeuwse avantgarde-schilder teruggezet in de eeuw van Brueghel, die zich afvraagt wat hij daar aan moet met al de subtiliteiten van zijn postimpressionistische kleurenpalet. Zo verloopt de eerste helft van het boek tussen overpeinzingen over de schilderkunst, flashbacks over zijn jeugd, gissingen over zijn afkomst en barokke beschrijvingen van Pannonië. De artistieke crisis die hem onder meer naar zijn vaderland terugdreef, weet hij te overwinnen. In het huis van zijn moeder komt hij weer tot schilderen.

Tot hij Bobocka ontmoet. Achter deze onschuldige voornaam gaat een rasechte femme fatale schuil, die in weelde heeft geleefd, diverse mannen tot de bedelstaf heeft gebracht, diverse echtgenotes tot zelfmoord heeft gedreven, en nu in het Pannonische provinciestadje is neergestreken en werkt in het plaatselijke café. In haar kielzog bevindt zich Baloczanszky, een van de minnaars die door haar aan lagerwal zijn geraakt. Ook Filip raakt in de ban van deze overigens al niet meer zo heel jonge vrouw en behoort binnen korte tijd tot haar menagerie.

De roman wordt nu opeens het verhaal van Bobocka, Baloczanszky en later ook van de zwervende intellectueel en superieure Griek Kyriades. Drie mannen rond één vrouw, dat moet eindigen met moord en doodslag, en dat doet het dan ook: een melodrama met een melodramatisch bloedig einde.

Een kunstenaar op zoek naar zijn identiteit, die de liefde die hij van zijn moeder nooit heeft gekregen bij Bobocka hoopt te vinden. Een ambtenaar en bourgeois, die ooit een hoge positie had en welgesteld was, getrouwd was en kinderen had, maar die zo graag groots en meeslepend wilde leven dat hij alles vergooide voor zijn ontuchtige liefde. Een ontwortelde buitenlander, iemand met Grieks, Russisch en joods bloed, geboren in de Kaukasus, die heeft gewoond in Moskou en Riga maar nu terecht is gekomen in dit provinciegat, een cynicus van het zuiverste water die ook de weinige zekerheden die de anderen nog hebben genadeloos weet door te prikken. En een vrouw die, hoewel op haar retour, nog steeds onweerstaanbaar is voor dit tamelijk verlopen stel manvolk en die ondanks haar fataliteit ook zelf tragisch is en een slachtoffer van de mannen.

Clerus

Dit zijn de hoofdpersonen wier leven getekend is tegen de achtergrond van de resten van het Oostenrijks-Hongaarse rijk. Een Freudiaanser gezelschap en een Freudiaanser omgeving is moeilijk te verzinnen. En Krleza zou geen links schrijver zijn als hij ook de bourgeoisie en de clerus niet zou kastijden, hun zelfvoldaanheid en schijnheiligheid zijn het voortdurende mikpunt van spot, hoon, sarcasme en wat een begenadigd schrijver nog verder op dit gebied in huis heeft.

Origineel aan dit boek is dat al die Europese decadente hoofdrolspelers zich in het heden van de roman bewegen in een omgeving vol bijgeloof en hekserij die zo boers en boertig is als maar kan, dit alles beschreven in een prachtige barokke stijl waardoor het boek tegelijk iets absurdistisch krijgt. Maar hoe fascinerend en origineel het bij vlagen ook is, toch overtuigt het in zijn geheel niet helemaal. Wat begint als een psychologische roman over een kunstenaar op zoek naar zijn wortels, slaat ineens om in een heftig melodrama, met figuren die te archetypisch zijn om helemaal aanvaardbaar te worden.

Krleza heeft er te veel in willen stoppen: vertogen over moderne schilderkunst, een portret van het oude keizerrijk, de ontstaansgeschiedenis van een fatale vrouw, de teloorgang van een solide burgerman, een moderne Mefistofeles, de decadentie en het verval van de oude elite, plus een schildering van het rurale Kroatië. Het is allemaal afzonderlijk buitengewoon interessant, hoewel natuurlijk veel ervan al eerder is vertoond, maar het is Krleza niet helemaal gelukt dit heterogene materiaal tot een eenheid te smeden.

De terugkeer van Filip Latinovicz, dat mogen we zeventig jaar na het ontstaan wel concluderen, is net geen meesterwerk, maar het is wel een heel boeiend en afwisselend boek geschreven in een prachtige taal, die door vertaler Guido Snel goed is getroffen.

Miroslav Krleza: De terugkeer van Filip Latinovicz. Uit het Kroatisch vertaald door Guido Snel. De Bezige Bij, 239 blz. €18,50

    • Arthur Langeveld