Een kop als camembert

Het Rotterdamse gemeentebestuur nam Museum Boijmans in 1949 flink te grazen. Het gelastte de verwijdering van twaalf naakten, geschilderd door Kees van Dongen (1877-1968). Het volk had er een `ongezonde belangstelling' voor: korte metten met al die vlezigheid. De censuurmaatregel ontaardde in een landelijke rel en de schilder wakkerde het vuurtje aan met de in die dagen pijnlijke opmerking `Ik dacht dat de Duitsers weg waren, maar ik zie: ze zijn er nog'. De Rotterdamse schrijfster Anna Blaman reageerde anders: `Niets is in zijn drijfveren en in zijn effecten zo immoreel als het kleinzielig bewaken van de moraliteit.'

Over dit soort relletjes lees je graag in Het kleurrijke leven van Kees van Dongen van Rudolf Engers, die als schooljongen contact legde met de hoogbejaarde schilder, hem opzocht in Parijs en die later van diens dochter Dolly in Monaco zo nog het een en ander te horen kreeg. Engers herinnert ook aan het gedoe rond het portret (1921) van Anatole France, Frankrijks literaire held die Van Dongen op het doek had durven zetten als `een camembert met groen beschimmelde adertjes'. De zaak escaleerde, Van Dongen moest de benen nemen naar Venetië, maar France zelf, die dat jaar de Nobelprijs voor de literatuur kreeg, vond het doek best `karaktervol'.

Zowel het amusante, royaal geïllustreerde boekje van Engers als de lijvige uitgave van Van Dongens grafisch werk, ingeleid door Jan Juffermans, loopt synchroon met een grafiek-overzicht in de Rotterdamse Kunsthal (t/m 27 april) van de nu bejubelde Rotterdammer. Hij wist trouwens niet hoe snel hij het volkse Delfshaven moest verruilen voor het altijd koortsachtige Parijs. Eerst moest hij er door het stof – als sjouwer, afficheplakker –, maar allengs kregen Franse maatschappijkritische tijdschriften zijn lefgozerige tekeningen in de gaten van meisjes van plezier en vrijgevochten `garçonnes'. Mannen schilderde Van Dongen `om hun lelijkheid', zoals hij zei, maar vrouwen waren `het mooiste landschap' dat hij zich kon voorstellen. Je moet ze `langer en slanker' afbeelden, zei hij, en hun `juwelen groter. Dan zijn ze altijd tevreden.' En om tot die landschappen door te dringen kletste hij zijn modellen behendig uit de kleren.

Terwijl Engers met anekdotes dat bohémienachtige leven reconstrueert, daar schrijft Juffermans in de grafiek-catalogus formeler over de kleurenlitho's en boekillustraties die Van Dongen maakte voor uitgaven van onder anderen Proust, Gide en Colette. Vooral in zijn aquarellen uit Duizend en Een Nacht kon de zeer productieve womanizer zich erotisch uitleven. Het merendeel van de kleurreproducties is een hernieuwde kennismaking met `de lichtheid van het bestaan' waar de Parijse beau monde en les grandes horizontales – dames met routine in het ruïneren van miljonairs – zich aan laafden. Net als in zijn schilderijen maakte Van Dongen het zich op de lithosteen soms erg gemakkelijk. Andere keren is het glorieus raak en portretteert hij in een paar inktlijnen een verveeld `jong ding' met de souplesse van een Chinese calligraaf.

Op hoge leeftijd heeft Van Dongen zich teruggetrokken in Monte Carlo. `Geen vrouwen meer en geen wijn, niet meer roken... Het leven is geen lolletje', constateerde hij mismoedig. En dan zie je de bon-vivant op de laatste foto in Engers' boekje: in een hoekje, met een deken en een shawl om, met kussens in de rug, gordijnen gesloten en met de ogen neergeslagen. Alles was voorbij.

Rudolf Engers: Het kleurrijke leven van Kees van Dongen. Scriptum Art, 150 blz. €22,90

Jan Juffermans: Kees van Dongen. Het grafische werk. Waanders, 183 blz. €43,50