De liefde voor Meneer Iedereen

Georges Simenon is wereldberoemd geworden met de avonturen van de logge, aardige politieman Maigret. Toch zijn het vooral Simenons andere, `echte' romans die nu in de belangstelling staan. In zijn honderdste geboortejaar worden in Frankrijk en België nu verwoede pogingen gedaan Simenons werk in te lijven bij de wereldliteratuur.

`Een van de grootste schrijvers van de twintigste eeuw', zegt de een. `Een literair genie, van dezelfde orde als Cervantes, Shakespeare en Proust', zegt de ander. Aan superlatieven ontbreekt het niet als op 13 februari aanstaande Simenons honderdste geboortejaar wordt gevierd. De Franse en Waalse verdedigers van het oeuvre willen er geen misverstand over laten bestaan: dit is Literatuur, met een hoofdletter.

Toch blijft het een beetje wringen geblazen om Georges Simenon (1903-1989) op de voorste rijen van de moderne literatuurgeschiedenis te installeren. Daarvoor moet namelijk een groot gedeelte van zijn enorme oeuvre buiten beschouwing blijven. Niet alleen de naar schatting tweehonderd `populaire' romans die Simenon onder pseudoniem schreef, maar ook de zo geliefde en veelgelezen verhalen over Maigret: policiers gelden doorgaans niet als literatuur. Uit de slordige honderd romans die er dan nog over zijn, moet een keuze worden gemaakt op basis van onduidelijke criteria.

Daarom zou in het geval van Simenon zinvoller zijn om op postmoderne wijze te accepteren dat het verschil tussen `echte' en semi-literatuur niet te maken valt, en vooral dat zo'n onderscheid niet belangrijk is. Dan kunnen zowel de Maigrets als de `romans durs' mee de 21ste eeuw in. Helaas nemen de Fransen (die zich de in Luik geboren en getogen auteur voor het gemak hebben toegeëigend) geen genoegen zo'n postmoderne oplossing. Liever dan hun eigen filosofen te geloven dat alleen de `tekst' van belang is, proberen zij te bewijzen dat dit wel degelijk literatuur is.

André Gide vond het zo goed, is een van de belangrijkste argumenten voor die stelling, aangevoerd door onder anderen Jean-Baptiste Baronian in Simenon ou le roman gris. Gide schijnt soms wel zes of acht Simenon-romans achter elkaar te hebben gelezen. Je kan je afvragen of het niet juist die kwantiteit is waar de schoen knelt. Romans die aan de lopende band zijn geschreven, en die ook aan de lopende band kunnen worden gelezen, kán dat wel literatuur zijn? Zo is het maar de vraag of men omgekeerd ook zes romans van Gide achterelkaar in een paar dagen zou kunnen (of willen) lezen.

Een belangrijker probleem is dat de bewondering van Gide in de eerste plaats berustte op het ónliteraire in het werk van Simenon. Bij hem was de alwetende verteller verdwenen, er lag geen centraal idee aan zijn romans ten grondslag, laat staan een morele overtuiging. Bovendien had de journalist Simenon een minimale en platte stijl, waar de moderne romanciers halverwege de vorige eeuw ook naar streefden. Het is dus de afwezigheid van literatuur in dit werk die Gide aantrok.

Toch heeft Denis Tillinac, die al twintig jaar geleden in Le mystère Simenon voorspelde dat Simenon eens zou worden bijgezet in het Pantheon van de literaire 20ste eeuw, gelijk gekregen. Dit voorjaar wordt Simenon namelijk opgenomen in de statige Pléiade-serie van uitgeverij Gallimard, in een uitgave verzorgd door Jacques Dubois, hoogleraar aan de Universiteit van Luik. Goud op snee bij Gallimard: hoger kun je het als auteur in Frankrijk niet schoppen. Hoewel de redactie van Pléiade nog geheim houdt om welke titels het gaat, is het zeker dat er geen Maigrets in zullen komen, maar alleen de `romans durs' van Simenon: de boeken die hij als serieuze literatuur bedoelde. Natuurlijk hebben die zekere literaire kwaliteiten, met hun dwalende personages die altijd maar zoeken en nooit vinden. Tillinac noemt deze verhalen terecht `histoires d'errances': dwaalgeschiedenissen. Net als hun auteur, die over de hele wereld zwierf, kennen ook de personages van Simenon weinig rust. Zij zijn `petits gens', gewone mensen die ofwel opgesloten zitten in de knellende cirkel van familie- en liefdesbanden of vervallen in losgelagen criminaliteit en eenzaamheid. Ondanks alle treinen, boten en auto's ontsnappen Simenons helden nooit aan `Le Destin', het lot dat zo'n belangrijke rol speelt in deze romans.

Dit schema gaat voor vrijwel alle romans op. Een mooi voorbeeld daarvan is La chambre bleue, een van de negen `echte' romans van Simenon die dit voorjaar vertaald worden bij Atlas. Tony is een hardwerkende man van Italiaanse afkomst, die goed zorgt voor zijn brave vrouw en dochtertje. Maar een paar gepassioneerde ontmoetingen in een hotel met de wellustige en bezitterige kruideniersvrouw leiden tot zijn ondergang. Net zo belangrijk als het hem achtervolgende noodlot en zijn angstige voorgevoelens, zijn echter de sterke impressies van een zomer in de provincie, de geur van bloeiende kastanjes, de blauwe kleur van de hotelkamer die Tony doet denken aan het waspoeder uit zijn jeugd.

Wordt Tony uit zijn veilige omgeving gehaald door het lot en zijn gepassioneerde (Italiaanse) karakter, in de roman Tante Jeanne gebeurt het omgekeerde. De dikke Jeanne is gedwongen om na een avontuurlijk maar ook eenzaam leven in Zuid-Amerika en Afrika aan te kloppen bij haar broer op het Franse platteland. Het huis dat Jeanne als meisje beklemde en waaruit zij wegliep, is haar enige hoop op een rustige oude dag. In plaats daarvan blijkt haar rijke broer het familiekapitaal te hebben verloren en er een extra vrouw en kind op na te hebben gehouden, om zich ten slotte in wanhoop op te hangen. Er zit voor Jeanne niets anders op dan zich op te werpen als veredelde dienstbode van haar schoonzuster: zo eindigt zij arm en afhankelijk in de provincieplaats die zij wilde ontvluchten.

Opnieuw zijn veel van de vaste Simenon-ingrediënten aanwezig in Tante Jeanne. Ten eerste is er het belang van het decor. Al na enkele pagina's zie je het voor je: het platteland bij Poitiers, een familiehotel waar men met borden klettert in de keuken, een straal zonlicht tussen de luiken. Daarnaast is er het gezin dat niet de verlangde veiligheid biedt: een neurotische moeder en egoïstische kinderen of juist de vlucht naar Zuid-Amerika of Afrika waar het noodlot al evenmin te ontlopen blijkt.

Een uitzondering is Meneer Bouvet: hij is een van de weinige helden die het wél is gelukt te ontsnappen aan knellende huwelijks- en familiebanden. In L'enterrement de Monsieur Bouvet ontdekt men na de dood van de tevreden oude heer Bouvet dat de man niet alleen een onvermoede echtgenote, dochter en zuster heeft die hem al jaren zochten, maar ook onder drie verschillende namen een moordenaar, Engelse spion en schatrijke koloniaal was. Aan het einde van zijn leven heeft hij door zijn anonimiteit de totale vrijheid én rust bereikt op zijn gemeubileerde huurkamer aan de Seine-kade.

Simenon schreef deze roman in februari 1950, toen hij in een ingewikkelde ménage à trois in Californië woonde. Zijn inwonende secretaresse en minnares Denyse Ouimet had net een zoon van hem gekregen, terwijl Simenon ook nog leefde met Tigy, de moeder van zijn eerste zoon. Geen wonder dat Bouvets losgeslagen en eenzame bestaan hier zo aanlokkelijk wordt voorgesteld.

In de stroom boeken die er dit jaar verschijnt, is er veel aandacht voor de biografie van de schrijver, voor zijn arme en grauwe jeugd in Luik tijdens de Eerste Wereldoorlog, zijn depressieve moeder en jonggestorven vader, zijn eerste baantje als journalist bij de Gazette de Liège en zijn vertrek naar Parijs, waar hij zich in leven hield door een onvoorstelbare productie van populaire romannetjes. Hij schreef naar eigen zeggen `furieusement', soms wel tachtig pagina's per dag.

Op dezelfde onstuimige manier schijnt hij te hebben geleefd: zo werken de `10.000 vrouwen' die hij beweerde gehad te hebben op de verbeelding, net als zijn affaire met Josephine Baker. In mei zal er over zijn leven een Album Pléiade verschijnen, een geïllustreerde biografie. Voor wie daar niet op wil wachten ligt er nu al een vergelijkbaar werk: Passion Simenon. De tekst van het boekje is nogal braaf en bewonderend (precaire zaken zoals Simenons gedrag tijdens de Tweede Wereldoorlog hij maakte films met een Duitse producent – blijven ongenoemd), maar voor de echte fans zijn de illustraties de moeite waard.

Uit de biografieën komt het beeld naar voren van een eenzame man, die ondanks zijn drie vrouwen en vier kinderen niet het gevoel had geliefd te zijn: `Uiteindelijk kent niemand me, zelfs niet mijn vrouwen, kinderen en vrienden. Juist zij niet', schreef hij aan het eind van zijn leven. Toen woonde hij met dertien man personeel in zijn villa in Lausanne, kreeg hij de groten der aarde al over de vloer en sliep hij alleen nog maar in paleizen wanneer hij op reis was. Dat hij zijn autobiografische aantekeningen toch de titel Un homme comme un autre meegaf, moet beschouwd worden als een sterk staaltje wishful thinking.

Want hij had zo graag méér op Maigret willen lijken. Een kalme functionaris, een echte burgerman die zich verheugt op zijn middageten bij moeder de vrouw en die geniet van de straal zonlicht die 's ochtends op zijn gezicht valt als hij zich scheert. `Monsieur tout-le-monde', zoals Baronian hem noemt. Maar Georges Simenon had alleen zijn overjas en pijp gemeen met zijn personage.

Van de weeromstuit maakte hij van Maigret zo'n kuise en brave petit bourgeois, dat zijn uitgever Arthème Fayard aanvankelijk niets zag in het plan voor de serie politieromans: niemand zou geïnteresseerd zijn in deze dienstklopper die na het werk zijn krantje leest en droomt van zijn pensioen zoals iedereen. Een politieman van Nederlandse oorsprong, trouwens. Simenon schreef zijn eerste Maigret in Delfzijl, waar hij toen met zijn schip voor anker lag. Nu staat er een standbeeld van Maigret in de haven van Delfzijl: een van de weinige blijken van officiële erkenning die Simenon te beurt vielen.

Ondanks, of dankzij, de banaliteit van het personage zijn het vooral de vijfenzeventig Maigret-romans waarmee Simenon wereldberoemd is geworden, eerder dan zijn `echte romans'. Alleen al daarom zou het volkomen onterecht zijn als de Maigret-verhalen in dit Simenon-jaar buiten de boot zouden vallen. Bovendien is het verschil niet zo groot. Het `schema' van Simenons gewone romans gaat ook in de Maigret-verhalen vrijwel altijd op. Er is meestal maar één personage dat psychologische diepgang krijgt, veelal iemand die door zijn noodlot wordt meegesleurd in een serie gebeurtenissen waar hij zelf geen invloed meer op heeft. Het gaat nooit over doortrapte criminelen maar om kleine luiden die geheel onvoorbereid een moord plegen of daarvan beschuldigd worden. Simenons hoofdpersonen zijn geen slechte mensen.

Vandaar dat je ook niet kan zeggen dat het recht zegeviert, en vandaar dat Maigret altijd twijfelt. In zijn Memoires beschrijft Maigret hoe zijn rapporten altijd vol zinnen tussen haakjes staan: `waarschijnlijk omdat ik te veel wil uitleggen, alles wil uitleggen, omdat niets me simpel of duidelijk lijkt'. Hij is ook niet onfeilbaar: soms blijft een zaak onopgelost of komt hij te laat om een onschuldige te redden van de guillotine. Sommige moordenaars, zoals monsieur Bouvet, weten te ontsnappen en leiden een heel gelukkig leven, andere arme drommels belanden voor jaren achter de tralies.

Daarom gaat het Maigret niet zozeer om de oplossing van een zaak, als wel om het achterhalen van de psychologie van de betrokkenen. Wat de politieman zegt over zijn onderzoekswijze, gaat net zo hard op voor Simenons eigen werkwijze: `Voor mij is een mens zonder verleden niet helemaal een mens. Tijdens bepaalde onderzoeken is het me wel eens gebeurd dat ik meer tijd besteedde aan de familie en de hele omgeving van een verdachte dan aan de verdachte zelf, en vaak vond ik zo de sleutel van wat ook een raadsel had kunnen blijven'. Maigret is wanneer hij aan een zaak begint, precies als de schrijver die aan een nieuwe roman gaat werken. Maar heel langzaam leert hij de `personages' van zijn zaak kennen en kan hij de moord op die manier werkelijkheid laten worden. Tot het zover is voelt hij zich onzeker en ongecoördineerd.

Vooral als hij niet op eigen terrein is vindt Maigret het moeilijk om de omstandigheden van de misdaad op zich in te laten werken: alleen in Parijs heeft hij vaste grond onder de voeten. Een van de charmes van de romans van Simenon was – en is nog steeds – de couleur locale: het Parijse decor waarin 107 van zijn 193 romans zich afspelen. Zelfs toen de schrijver in de Verenigde Staten woonde, wist hij een intens Parijse sfeer op te roepen, van de lichtval op de Seine tot de kilte van een binnenplaats in de Marais. Simenons geheugen was zo betrouwbaar dat zijn romans straat voor straat nagelopen kunnen worden. Het wonderlijke is dat zijn romans tegelijk volkomen a-historisch zijn. Geen van beide wereldoorlogen speelt een rol, noch studentenopstanden of Algerijnse bommen. Parijs is hier een statische stad ergens tussen de jaren dertig en vijftig, met brasseries waar iedereen zijn vaste servet had liggen, en met boten in de Seine waarop je de was ging doen.

Door dat welomlijnde en archaïsche decor laten de Simenons zich ook zo prettig verfilmen of voor televisie aanpassen, en zijn er maar weinig lezers die niet een Maigret voor zich zien met de kop van Jean Gabin, Michel Simon of Bruno Cremer, in films van beroemde regisseurs als Jean Renoir, Marcel Carné of Claude Chabrol. Een andere reden voor de aangename verfilmbaarheid moet de traagheid van deze romans zijn. Grote sprongen in de tijd of in de verhaalontwikkeling worden niet gemaakt. In tegenstelling tot razendsnelle genieën als Sherlock Holmes of Hercule Poirot is Maigret niet alleen een middelmatige man, maar ook een middelmatige denker. De misdaden die hij oplost zijn niet bijster ingenieus of ingewikkeld, en het speurwerk bestaat meer uit trouw uren maken dan uit geniale invallen.

Veertig jaar lang, van 1931 tot 1972, zat Simenon vast aan zijn logge personage. Hoewel de schrijver herhaaldelijk probeerde van hem af te komen, en hem zelfs met pensioen stuurde in een huisje op het platteland, lokte het geld en werd Maigret op zijn oude dag weer af en toe van stal gehaald en teruggestuurd naar het beroemde bureau op de Quai des Orfèvres. Pas toen hij bijna zeventig was, besloot Simenon zelf met pensioen te gaan en schreef hij geen romans meer. Ook daarna bleef hij echter doorwerken aan zijn autobiografische dictaten. Niet omdat hij zijn verhaal kwijt wilde, maar omdat hij, net als zo veel van zijn personages, bang was weer te vervallen in de armoede van zijn jeugd. Hij wist niet of hij zijn kinderen wel genoeg kon nalaten. Op dat moment verkocht hij zo'n drie miljoen boeken per jaar.

Want Simenon is de best verkochte Franse auteur aller tijden. De cijfers zijn overweldigend: 1 miljard exemplaren wereldwijd, 431 boektitels in totaal – als de populaire romans worden meegerekend – en 55 verfilmingen van Maigret alleen. De onbeantwoordbare vraag of dit nu literatuur is of niet, heeft de wereld er blijkbaar niet van weerhouden Simenon gewoon lekker te lezen. Misschien moesten de Fransen daar maar een voorbeeld aan nemen.

Georges Simenon: Tout Simenon. Omnibus. 25 delen, €23,– per deel

Georges Simenon: La Chambre bleue. Presses de la Cité, 187 blz. €14,50

Jean-Baptiste Baronian en Michel Schepens: Passion Simenon: L'homme à romans. Editions Textuel, 191 blz. €47,

Jean-Baptiste Baronian: Simenon ou le roman gris. Neuf etudes sentimentales. Editions Textuel, 143 blz. €19,

Denis Tillinac: Le mystère Simenon. Editions La Table Ronde, 214 blz. €8,50