Powell toont niet aan dat oorlog nu verstandig is

De toespraak van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, tot de Veiligheidsraad heeft een krachtige aanklacht tegen Irak opgeleverd. Door te weigeren om opening van zaken te geven over zijn massavernietigingswapens en door actief de VN-wapeninspecteurs te misleiden, handelt Bagdad duidelijk in strijd met Veiligheidsraad-resolutie 1441.

Maar ook al heeft Powell dan overtuigend aangetoond dat een oorlog te rechtvaardigen is, hij heeft niet aangetoond dat een oorlog op dit moment verstandig zou zijn. Dat was weliswaar ook niet zijn opdracht, maar het is wel de kwestie waar het Witte Huis zich de komende weken mee bezig dient te houden.

Zoals Powell al bij voorbaat erkende, kwam hij niet met een `smoking gun'. Dit was geen moment à la Adlai Stevenson. Maar zoals John Mueller gisteren op deze pagina al opmerkte, gold dat evenmin voor Stevenson indertijd.

Ook al zijn er op onderdelen vraagtekens bij Powells aanklacht te zetten, het geheel van de beschuldigingen is overtuigend – vooral gelet op alles wat we van het bewind van Saddam Hussein weten. Aangezien resolutie 1441 verklaart dat ,,elk verzuim van Irak om volledig aan de uitvoering van deze resolutie mee te werken'' al een inbreuk vormt, staat nu onmiskenbaar vast dat Irak duidelijk zijn verplichtingen schendt.

De bewijzen van Powell zijn een steun in de rug voor de leiders van de VN-wapeninspecties als ze in de loop van deze week voor een laatste gespreksronde naar Bagdad reizen. Irak moet nu openheid van zaken geven over alle nog resterende kwesties die de inspecteurs en Powell hebben aangesneden. Zo niet, dan hebben de inspecteurs alle reden om op 14 februari in hun volgende rapport aan de Veiligheidsraad te concluderen dat verdere wapeninspecties uitzichtloos zijn. Mocht dat gebeuren, dan zal een nieuwe VN-resolutie die het gebruik van geweld toestaat met overweldigende meerderheid worden aangenomen.

Maar ook al zou een oorlog onder die omstandigheden gerechtvaardigd zijn, heeft het Witte Huis ook een strategie om hem te winnen? In Powells toespraak tot de VN werd niet gezegd hoe een oorlog zal worden gevoerd, hoe de vrede zal worden bevochten en hoe de weerslag beperkt kan blijven. Voordat president Bush ten strijde trekt, moet hij twee kritische vragen beantwoorden.

Ten eerste: wat doen we om de Verenigde Staten en hun bondgenoten tegen terroristische vergelding te beschermen? Afgelopen oktober liet de CIA een huiveringwekkende waarschuwing uitgaan: ,,Bagdad lijkt vooralsnog een grens te trekken door geen terreuraanslagen met conventionele of chemische en biologische wapens tegen de Verenigde Staten te plegen. Mocht Saddam tot de slotsom komen dat een aanval onder Amerikaanse leiding niet meer af te wenden is, dan zal hij waarschijnlijk veel minder aarzelen om tot terreurdaden over te gaan. Die terreur zou kunnen worden gepleegd met conventionele middelen, zoals bij de mislukte Iraakse poging tot een terreuroffensief in 1991, of met chemische en biologische wapens.'' Tot nu toe heeft het Witte Huis geen woord over eventuele extra maatregelen gezegd.

Ten tweede: hoe denkt president Bush de vrede te bevechten als de oorlog eenmaal voorbij is? Het enige dat we tot nu toe over de regeringsplannen weten is afkomstig uit tegenstrijdige verhalen die naar de New York Times en de Washington Post zijn gelekt. Sommigen spreken van een Amerikaanse militaire bezetting op basis van de ervaring in Duitsland en Japan na de Tweede Wereldoorlog. Anderen spreken over het overlaten van Irak aan de Irakezen. Intussen blijft een groot aantal kritische vragen onbeantwoord: Wie zal helpen de vrede binnen Irak te bewaren? Wie zal Saddam Hussein vervangen? Wie zal de wederopbouw van Irak betalen? Wat zal de rol zijn van de Iraakse buurlanden en de internationale organisaties? Hoe lang zijn we van plan in Irak te blijven? En wat doen we met de regionale gevolgen van de oorlog – voor de Koerden, de Iraniërs, de sheikdoms in de Golf en, bovenal, het Israëlisch-Palestijnse conflict?

Ivo Daalder en James Lindsay zijn verbonden aan het Brookings Instituut in Washington.