Verdeel de topfuncties niet achter de coulissen

De gewoonte van mannen om de verdeling van topfuncties in beslotenheid te regelen moet doorbroken worden. Zo'n opstelling leidt tot kwaliteitsverlies meent Margo Brouns.

Onder de kop `Vrouwen moeten het Catshuis veroveren' bepleit Peter van der Heiden de noodzaak van meer vrouwen in de politiek (Opiniepagina, 1 februari).

Inmiddels wordt ruim eenderde van de Tweede-Kamerzetels ingenomen door vrouwen. Dit is geen slecht resultaat, ook niet in vergelijking met andere Europese landen. Ook in het bedrijfsleven, de advocatuur en de wetenschappen is het aandeel van vrouwen sterk toegenomen. In het middelmanagement en onder de zelfstandigen zijn vrouwen al enige tijd de kritische grens van 20 procent gepasseerd.

Het probleem ontstaat pas daar waar het echt gaat om topfuncties, om posities waarin daadwerkelijk sprake is van machtsuitoefening. Op dat niveau zijn vrouwen niet of in verwaarloosbare aantallen aanwezig. Of dat geweten wordt aan geslachtsgebonden eigenschappen, zoals Van der Heiden dat doet, of aan een `plakkende vloer' zoals ING-topman Ewald Kist in het februari-nummer van Opzij, het blijft een gegeven dat in Nederland vrouwen geen ongehinderde toegang hebben tot machtsposities. Moederschap of plakkende vloeren – het lijken mij legitimaties achteraf van goedbedoelende mannen die als het er echt op aankomt hun posities en vooral alle rituelen die samengaan met het rekruteren van nieuwe collega's niet wensen op te geven.

De roep om meer vrouwen wordt vaak gerechtvaardigd met een verwijzing naar een representatieve vertegenwoordiging van alle burgers, cliënten en consumenten. Ook Van der Heiden doet dat en menig groot bedrijf eveneens. Natuurlijk, herkenbaarheid is prettig, vooral ook in de politiek, de openbare sector bij uitstek. Ik vrees alleen dat dit argument al is uitgewerkt nog voordat het volledig is begrepen. Het zet mensen en organisaties niet in beweging. Zie de wetenschappelijke top in Nederland. Al jaren wordt geroepen dat er steeds meer vrouwelijke studenten zijn (inmiddels meer dan 50 procent) en dat er daarom ook meer vrouwen actief moeten zijn in de top van het wetenschappelijk onderwijs. De cijfers laten echter onveranderd een miserabel beeld zien: momenteel is 7 procent van de hoogleraren vrouw. Nederland behoort daarmee al jaren tot de Europese hekkensluiters. Veel vrouwen zeker in de leeftijd rond de 40 jaar staan te trappelen om door te groeien naar hogere en gezaghebbende posities. Het succesvolle Aspasia-programma, waarbij vrouwelijk docenten werden bevorderd tot hoofddocenten, is een bewijs daarvoor. Maar het hooglerarencorps is nog steeds vrijwel homogeen mannelijk.

Selectieprocessen voor topfuncties spelen zich af achter de coulissen en daar maken mannen onveranderd de dienst uit. Vrouwen hebben veel belang bij openbare procedures en publieke verantwoording voor het verloop en de uitkomsten van selectie. Dit doorbreekt de macht en de gewoonten van het netwerk. Hoewel dit volkomen gerechtvaardigd lijkt, is er een aversie tegen meer openbaarheid. De privacy is in het geding, zo wordt gesteld. Maar er heerst ook een sfeertje van `wij bepalen zelf wel wie we benoemen'. Soms, zo stelde een collegevoorzitter onlangs, moet je snel iemand benoemen want anders vertrekt hij (!) naar Amerika en dus is er geen tijd voor lange en open procedures.

Wat mij zo verbaast is het ongefundeerde geloof in de betrouwbaarheid van deze procedures die zouden leiden tot de selectie van de beste. Ik geloof er niets van. Niet meer. Steeds weer tappen uit hetzelfde vaatje kan niet anders dan tot verlies van kwaliteit leiden. Al ruim een decennium is het aandeel vrouwen onder gepromoveerden aanzienlijk groter dan de schamele 7 procent onder hoogleraren, inmiddels is zelfs één op elke drie gepromoveerden vrouw. Een gamma-faculteit met 28 hoogleraren onder wie geen enkele vrouw kan mij in 2003 niet meer wijs maken dat dit stuk voor stuk benoemingen zijn van `de beste' in het vak.

Dat geldt voor alle topposities, variërend van het bedrijfsleven, onderwijs tot de politiek. Balkenende kan de komende weken nog heel wat goed maken.

Margo Brouns is projectleider Gender en Wetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen.

    • Margo Brouns