Tweede resolutie nodig

Het is het waard om resolutie 1441 van de VN-Veiligheidsraad er nog eens op na te lezen, zei de Britse premier Blair afgelopen vrijdag op zijn gezamenlijke persconferentie met president Bush. `1441' is een gedetailleerde resolutie waarin Irak een `laatste kans' krijgt om volledig mee te werken aan ontwapening. Laat het land dat na, dan zal dit worden uitgelegd als een `wezenlijke schending' die tot `ernstige gevolgen' leidt. Met de wapeninspecties op scherp en aanvullende informatie over Iraks massavernietigingswapens op komst – vandaag te leveren door Colin Powell bij de Veiligheidsraad – moet binnenkort duidelijk zijn of Irak van zijn laatste kans gebruik maakt of in gebreke blijft, en wat hiervan de consequenties zijn.

De `ernstige gevolgen' waarover de resolutie spreekt, kunnen alleen maar als gebruik van geweld worden uitgelegd. Maar geweld tussen staten, anders dan uit zelfverdediging of met toestemming van de Veiligheidsraad, wordt door de Verenigde Naties verworpen. En hoe duidelijk en expliciet `1441' op een aantal punten ook is, op het punt van het geweldsgebruik is de resolutie verschillend te interpreteren. Amerika concludeert eruit dat als Irak in gebreke blijft, de Veiligheidsraad niet nog eens apart hoeft in te stemmen met het gebruik van geweld. Veel landen zien dat anders, en pleiten voor een nieuwe resolutie waarin de raad expliciet uitspreekt dat geweld is toegestaan als Irak zijn verplichtingen niet nakomt.

Een tweede resolutie maakt de weg vrij voor maximale legitimiteit van een ingreep met militaire middelen. Daar gaat het om – om de wettigheid, die alleen de VN als veiligheidsorganisatie kunnen verschaffen. Juist omdat `1441' geen exact uitsluitsel geeft over geweldsgebruik, is een nieuwe uitspraak van de Veiligheidsraad nodig. Washington heeft tot nu toe, ondanks de spierballentaal van de diverse ministers, de Verenigde Naties ingeschakeld om zijn doel te bereiken. Het is van groot belang dat het die koers blijft volgen. Gebeurt dat niet, dan zullen de VS vroeg of laat van eenzijdigheid worden beticht. Andere staten kunnen uit de dubbelzinnigheden in resolutie 1441, door Amerika aangegrepen om tegen Irak op te treden, de onjuiste conclusie trekken dat een unilaterale actie toch enige rechtsgeldigheid heeft. De `internationale gemeenschap' zal er alles aan moeten doen om te voorkomen dat die mening, een bedreiging voor het voortbestaan van de VN, postvat.

De publieke opinie is vrijwel unaniem op dit punt. Zelfs in Amerika en het Verenigd Koninkrijk vinden velen dat een volgende stap in de opbouw van een oorlog alleen mogelijk is met instemming van de VN-Veiligheidsraad. Een nieuwe resolutie zal wellicht tijdelijk de verdeeldheid aanwakkeren. Die is er hoe dan ook: in de Veiligheidsraad, in Europa, tussen Europa en de VS, tussen Chirac en Blair, zelfs tussen Blair en Bush. Maar zo werkt het nu eenmaal in democratieën. Ieder mag zijn mening geven en over een ingrijpende zaak als oorlog of vrede wordt per definitie verschillend gedacht.

De verdeeldheid speelt Iraks dictator Saddam Hussein in de kaart. Niet hij, maar Bush wordt hier en daar als de boosdoener gezien. Niet Saddam moet bewijzen dat hij serieus ontwapent, maar Washington moet aantonen dat Irak over massavernietigingswapens beschikt. Zeker, bewijzen daarvan zouden enorm helpen bij de rechtvaardiging van een aanval op Bagdad. Maar geen of tegenvallend Amerikaans bewijs pleit Saddam niet vrij. Door zijn bewind, zijn schendingen van VN-resoluties, zijn hele moorddadige outillage is hij terecht in de beklaagdenbank gezet. Dat mag bij de overwegingen over een tweede VN-resolutie en de pleidooien voor extra tijd voor wapeninspecties niet uit het oog worden verloren.