Geloof in scherpe tegenstellingen

Met professor dr. Frans Leijnse heeft PvdA-leider Bos een informateur naar voren geschoven die gelooft dat scherpe politieke tegenstellingen in Den Haag nodig zijn om voeling met het debat in de samenleving te behouden. Door zijn eigen politieke verleden is Leijnse er bovendien in getraind deze gewenste politieke herkenbaarheid van de PvdA af te meten aan het CDA.

Als Kamerlid ten tijde van de laatste CDA-PvdA-coalitie bepleitte Leijnse begin jaren negentig als een der eerste PvdA'ers een coalitie met VVD en D66. Maar toen dat Paarse kabinet in 1994 zijn eerste regeerakkoord had geschreven, waarschuwde hij in het blad Socialisme en Democratie voor de `CDA-isering' van de PvdA: de partij zou net als het CDA kunnen uitgroeien tot een toonbeeld van eenheid en politieke trefzekerheid, maar dan wel ten koste van verlies van ideologisch kompas. Bij het CDA was de `desastreuze afloop' gebleken, aldus Leijnse: ,,Wat voor `zeer professionele politiek' werd gehouden bleek uiteindelijk een fataal verlies te zijn aan zin voor werkelijkheid, band met de samenleving en gevoel voor wat gewone mensen beweegt.'' Leijnse bekritiseerde de paarse gedachte dat er `voldoende sociale samenhang in de samenleving' was. ,,Lopend over straat is heel wat degeneratie en sociale achterstand waar te nemen'', zei hij in 1995 in Trouw.

Dergelijke analyses passen naadloos bij de recepten die Bos de PvdA van na-Fortuyn nu voorschrijft: op zoek naar de straat, luisteren naar onvrede, vasthouden aan politieke herkenbaarheid en zich te weer stellen tegen regenteske reflexen. Er is één opvallend verschil: Leijnse keerde zich in zijn kritiek altijd tegen de `pragmatici' aan het Binnenhof, terwijl Bos zich juist als pragmaticus profileert. Maar Bos vertrouwt Leijnse, zegt men bij de PvdA. Hij kent het CDA en levert het nodige gewicht naast mede-informateur Donner van het CDA door zijn sociaal-economische kennis.

De arbeidsocioloog Leijnse, nu voorzitter van de HBO-raad, `deed' vanaf zijn intrede in de Kamer in 1984 arbeidsmarkt en onderwijs. Als vice-fractievoorzitter bouwde hij vanaf 1989 een track-record op als criticus van het CDA. Hij verweet de regeringspartner van de PvdA streven naar uitholling van de sociale zekerheid. In 1992 verhevigde Leijnse de WAO-crisis in de PvdA, door buiten medeweten van partijgenoten in het kabinet in een rede op 1 mei te eisen dat arbeidsongeschikten met een uitkering buiten voorgestelde kortingen bleven.

In 1993 vertrok Leijnse tussentijds uit de Kamer, niet langer bereid een `vooruitgeschoven positie' in te nemen in de in zijn ogen steeds meer technocratische PvdA. Een van de laatste wapenfeiten van Leijnse, die nauwe banden onderhield met de FNV-top, was dat hij vakbondsman Ruud Vreeman lanceerde als tegenkandidaat van Felix Rottenberg. Uiteindelijk traden Vreeman en Rottenberg op als duo-voorzitters. Leijnse vervolgde zijn carrière als hoogleraar bedrijfskunde in Rotterdam, maar kreeg spoedig spijt. In 1994 ondernam hij, gesteund door een aantal PvdA-prominenten, een vergeefse poging om via het partijcongres terug te keren op de lijst voor de Tweede Kamer. Daarna bleef Leijnse actief in Haagse circuits, als voorzitter van de HBO-raad en als plaatsvervangend kroonlid van de Sociaal Economische Raad.

Leijnse was ook betrokken bij het mede door Donner voorbereide SER-advies om de WAO te hervormen. Dat SER-advies ligt nu als `gewichtig' strijdpunt ter tafel ligt in de formatieonderhandelingen tussen CDA en PvdA. Zelf leidde hij een commissie die in oktober met een vergaand plan kwam voor een nieuw, flexibeler stelsel van sociale zekerheid. Zo zou een werknemer op ieder gewenst moment aanspraak moeten kunnen maken op een inkomensverzekering – ook bij het wisselen van baan of om een burn-out te voorkomen. Leijnse staat wat dat betreft dichtbij het zo door het CDA gepropageerde `levensloopbeleid'.