TU: noodoverloopgebieden niet nodig

Noodoverloopgebieden zijn ,,nodig noch nuttig en al helemaal niet urgent''. Dat stellen onderzoekers van de Technische Universiteit Delft in het rapport `Het noodoverloopgebied: airbag of luchtzak?', dat vandaag zou worden gepresenteerd.

De TU heeft in opdracht van zes Nederlandse en twee Duitse gemeenten een beoordeling gemaakt van de voorstellen van de commissie-Luteijn. Die adviseerde eerder het kabinet drie gebieden aan te wijzen die in geval van hoge nood, als alle andere maatregelen om overtollig rivierwater af te voeren en tijdelijk te bergen hun functie hebben verloren, gecontroleerd onder water gezet kunnen worden. Het gaat om het Rijnstrangengebied bij Zevenaar, de Ooijpolder bij Nijmegen en de Beersche Overlaat bij Oss.

Volgens TU-onderzoeker Enne de Boer wordt de noodzaak van noodoverloopgebieden door de commissie-Luteijn ,,niet aangetoond''. Het aanwijzen van de gebieden zou onder meer noodzakelijk zijn omdat er meer rivierwater Nederland binnenkomt, tot 18.000 kuub per seconde bij Lobith, maar dat getal is volgens het TU-onderzoek ,,speculatief''. ,,Men is niet in staat om er een kans aan te hechten.''

Over een onverwachte toename van rivierwater hoeft men zich in de toekomst ook ,,geen zorgen te maken'', aldus het TU-onderzoek, omdat hogere afvoeren van rivierwater voortdurend worden gecontroleerd. ,,Die worden via de regelmatige herziening van maatgevende afvoeren op de voet gevolgd.'' Eventuele maatregelen zijn dijkverhogingen.

Ook is het de vraag of een noodoverloopgebied wel functioneel is. TU-onderzoeker De Boer refereert aan eerdere kanttekeningen bij het rapport van Luteijn door de Technische Adviescommissie Waterkeringen (TUW) in Delft. ,,Men weet niet vast te stellen of en wanneer een dijk bezwijkt, dus ook niet wanneer en hoe het noodoverloopgebied in te zetten.

Men twijfelt feitelijk aan het concept als zodanig'', aldus het TU-onderzoek.