Peter Schat

Het schijnt dat Peter Schat me lang geleden heeft willen voordragen voor royement van een Amsterdamse artiestensociëteit, maar of dat echt waar is weet ik niet, want het werd me verteld door schaakbroeder Donner en die overdreef de dingen graag.

Er was een gesprek over politiek geweest. Schat zag veel in Fidel Castro en ik had gezegd dat Cuba beter door managers van IBM bestuurd zou kunnen worden. Later zijn we anders gaan denken, hij over Castro en ik over de zegeningen van Amerikaans management voor arme landen, maar toen liep het meningsverschil hoog op.

Het moet in 1968 geweest zijn, want Bram de Swaan, die toen nog geen professor was maar al wel heel geleerd, was net terug van een Amerikaanse studiereis en voorspelde op grond van eigen waarnemingen dat de Olympische Spelen in Mexico niet door zouden gaan, omdat de linkse verzetsstrijders ze zouden tegenhouden. Daar hebben we toen een weddenschap om honderd gulden op afgesloten, maar uitbetalen ho maar! Wat mij betreft mag het nog steeds worden overgemaakt aan de dierenbescherming, uiteraard met inachtneming van de wettelijke rente.

Een jaar later was er de opera Reconstructie waarin Che Guevara geëerd werd en Erasmus veracht als het prototype van de ellendige liberale twijfelaar. Vijf componisten en twee librettisten met zeer verschillende gradaties van linkse gelovigheid, wat moet dat een ruzie zijn geweest. En inderdaad las ik vandaag dat Peter Schat het voortdurend aan de stok had gehad met Misha Mengelberg, die waarschijnlijk toen ook al nergens in geloofde, en dat het zo hoog opliep dat Mulisch op een gegeven moment afkondigde dat Mengelberg niet meer mee mocht doen.

Veel later mocht Schat ook niet meer meedoen aan de jongensclub van Mulisch. Ze hadden zich allebei tot de democratie bekeerd, maar Schat deed dat op een manier die niet mocht, door te zeggen dat als de democratie goed was, de communistische revolutie dus verkeerd moest zijn geweest. Spugen in de eigen bron werd dat genoemd.

Af en toe kwam ik hem tegen en dan maakten we een praatje. Ik vroeg hem een keer naar dat royement waar Donner me over verteld had en toen moest hij lachen. Echt Hein was dat, zo'n idioot verhaal. ,,Ik ben nooit een tiran geweest'', zei hij en ik denk dat dat waar was.

De laatste keer dat we het over politiek hadden was op een feestje voor kunstenaars en mensen die over kunst schreven, waar ik mijn woning even voor had afgestaan. Het feest was zo vrolijk dat een van de schrijvers bij het weggaan van de trap viel en zijn bloed zit nog steeds in de mat voor mijn buitendeur.

Een tijdje later was ik bij W.F. Hermans op bezoek en die had voor de deur van zijn Parijse appartement een mat liggen met zijn eigen bloed, doordat er kort daarvoor een Nederlander langs was gekomen die hem had proberen te vermoorden met een bijl. Ik wilde eigenlijk vragen of ik die mat mocht hebben voor mijn verzameling, maar dat durfde ik niet.

Maar goed, met Peter Schat had ik het op dat feestje over de Golfoorlog die toen aan de gang was en hij zei dat het misschien wel de laatste oorlog zou zijn. In die tijd werd er veel gesproken over Francis Fukuyama's artikel over het einde van de geschiedenis en het liberale vredesrijk dat aan zou breken. Alles was anders geworden, maar Schats geloof in een stralende toekomst was blijkbaar nog even groot als vroeger. We kregen geen ruzie, want hij vond dat ik geen tiran was.

Hij had het met zijn politieke opvattingen niet altijd bij het juiste eind, maar ik zag hem als een enthousiast in de oude zin van het woord; iemand bij wie de goden waren ingegaan. En een aardige man, dat was hij ook.