Hond

Toen ik langs een plantsoen in Amsterdam-West liep, vloog aan de rand van mijn gezichtsveld iets wits heen en weer over het gras. Wat was dat toch? Ik keek nog eens goed.

Het was een kleine witte hond met een donkere snoet. Hij liep er niet zomaar wat te darren, integendeel, hij was toegewijd bezig aan een serie manoeuvres die je als sportieve oefeningen zou kunnen aanduiden. Een baas was nergens te bekennen, hij moest zichzelf bezighouden. Hij deed dat met de zelfdiscipline van een atleet die moederziel alleen zijn rondjes in een verlaten stadion draait.

Bij de hond waren het alleen geen rondjes, maar strakke sprints van dertig, veertig meter. Nu hoeft dat op zichzelf nog geen opzienbarend verschijnsel te zijn. Hollende honden kennen we allemaal. Maar deze hond had een novum aan zijn acties toegevoegd waardoor ik zeker tien minuten ademloos naar hem bleef kijken.

Terwijl hij in een waanzinnig hoog tempo zijn spurtjes maakte, dreef hij een grote, gele plastic bal voor zich uit. Hij deed dat alleen met zijn kop. Telkens gaf hij de bal een licht, bijna onmerkbaar tikje met zijn neus, zonder ook maar een moment vaart te verminderen. Hij hield de bal dicht genoeg vóór zich om er het contact niet mee te verliezen, maar toch struikelde hij er nooit over. Zo trok hij zijn onberispelijke diagonalen over het gras.

Het was, kortom, grote kunst.

Dit was geen spelende hond meer, dit was een voetballende hond die zichzelf tot dribbelkoning had uitgeroepen.

Vergelijkingen schieten tekort, maar ik zal me er toch mee proberen te behelpen. Voor de ouderen onder u: denk aan Garrincha, de rechtsbuiten van het Braziliaanse elftal uit de jaren vijftig. Ook hij had de bal, zoals dat heette, aan een touwtje terwijl hij langs de lijn oprukte. Iets dichter bij huis, zowel in tijd als in plaats: René van de Kerkhof. We doen de hond hiermee misschien niet voldoende recht, maar er zat altijd iets blinds en autistisch in de acties van Van de Kerkhof dat je bij dit beestje terugvond.

Ik probeerde enkele malen zijn aandacht te trekken, maar hij negeerde me volledig. Pas toen een jongen van een jaar of vijftien zich verderop uit een groepje spelende kinderen losmaakte en naar hem toe slenterde, gaf hij enige sjoege. Hij benaderde de jongen met de bal om dan plotseling naar links of rechts uit te wijken. Nu nog een goede voorzet, dacht ik, en we kunnen hem zó in het Nederlands elftal zetten.

Ik vroeg de jongen of hij veel met de hond had geoefend. ,,Helemaal niet'', zei hij, ,,Max heeft het zichzelf geleerd. Hij kan zoveel met een bal. Ik heb wel gezien dat ie 'm zes, zeven seconden op zijn kop stillegde. En Max is altijd razendsnel geweest. Op een vakantie in Frankrijk haalde hij een rat in. Die rat stierf van de schrok. Eh, van de schrik.''

Hij vertelde me dat Max een Jack Russell terriër was. Het zei me niet zoveel, want ik ben geen hondenkenner, maar op internet las ik dat het ,,vreesloze, gelukkige, alerte, zelfbewuste, intelligente en levendige jachthonden'' zijn. En in aanleg geweldige voetballers, zou ik er graag aan toegevoegd zien.