Elk land zijn eigen kleine Philipsje

Philips' wederopstanding na de Tweede Wereldoorlog was snel en succesvol. Maar in de zorgeloze periode van 1950 tot 1970 werd wel de kiem gelegd voor een hoop problemen later.

De Belgische werknemers van Philips-Hasselt koelden zes weken geleden nog hun woede op het Amsterdamse hoofdkantoor van het elektronicaconcern. Gevolg: één arrestatie. Aanleiding was het besluit om een deel van de televisieproductie naar elders te verhuizen. Vorige week kreeg de vestiging van het Franse Dreux een vergelijkbare boodschap. En de fabriek in het Groningse Stadskanaal, die afgelopen woensdag door een brand in de publiciteit kwam, ziet de komende maanden een derde van zijn activiteiten vertrekken.

Philips probeert al jaren zijn productie efficiënter en goedkoper te maken. De aantrekkingskracht van lagelonenlanden als Polen en China is niet de enige reden voor die voortdurende verhuizingen. Ook de spreiding van de vaak kleinere of middelgrote vestigingen over veel landen maakt volgens het bestuur ingrijpen noodzakelijk. Nog maar vier jaar geleden kondigde de toenmalige bestuursvoorzitter Boonstra zelfs aan het aantal vestigingen met een derde terug te zullen brengen, van 240 naar 160.

Wat de achtergrond is van zoveel fabrieken in zoveel landen wordt duidelijk in het vorige week verschenen deel V (1950-1970) van de reeks Geschiedenis van Koninklijke Philips Electronics NV. Niet voor niets heeft deze aflevering, geschreven door de bedrijfshistoricus I. Blanken, als ondertitel ,,een industriële wereldfederatie'' meegekregen. In 1954 wilde de bedrijfstop zo'n federatie van Philips maken.

De naoorlogse periode die Blanken consciëntieus beschrijft was een relatief zorgeloze tijd voor Philips. Europa schreeuwde om nieuwe producten en door snel te expanderen kon het Eindhovense concern snel aan de behoefte voldoen. Van 1950 tot 1960 zag Philips de omzet van 982 miljoen gulden oplopen tot bijna 5 miljard. Het aantal werknemers steeg in die periode van 90.000 tot 211.000 man, in 1970 zelfs 359.000 werknemers.

Omdat de Europese eenwording nog lang niet in zicht was, liet het bedrijf in elk land zogeheten Nationale Organisaties (NO's) ontstaan die bijna allemaal kleine `Philipsjes' vormden: dus met een veelheid aan fabrieken en een relatief grote eigen verantwoordelijkheid. Door dit concept konden de NO's hun technisch en commercieel beleid afstemmen op de eisen van de nationale markten. Een succesvol beleid, aanvankelijk.

Dat Philips zo snel na de Tweede Wereldoorlog kon groeien, was geen vanzelfsprekendheid. De markt leende zich natuurlijk voor een inhaalvraag, maar het elektronicaconcern was zelf erg beschadigd en verkeerde volgens Blanken in een ,,zorgwekkende'' situatie. De complexen in Eindhoven waren door de geallieerden zwaar gebombardeerd en wat daarna nog restte, was door de Duitse bezetters leeggeroofd. Fabrieken in Oost-Europa konden worden afgeschreven en wederopbouw was door de Russische bezetting niet mogelijk. Tegelijkertijd waren de Britse en Amerikaanse fabrieken overgestapt op oorlogsproductie en die moesten eerst terug naar civiele productie.

Maar Philips herstelde snel, waarbij vooral de komst van de televisie een wondermiddel bleek te zijn. In 1948 werden in Nederland de proefuitzendingen, na een onderbreking van tien jaar, hervat. In 1951 volgden de eerste tv-uitzendingen, waarvoor Philips een machtiging van de Nederlandse autoriteiten had gekregen op voorwaarde dat wekelijks niet meer dan drie uur televisie zou worden gemaakt.

Naast discussies over technische standaarden en omroeppolitieke conflicten – die waren er toen ook al – was er nog een praktisch probleem: het ontbrak Philips aan glas voor de beeldbuis. In de Verenigde Staten konden tv-producenten glas van toeleveranciers betrekken, maar in Europa was er geen grote glasindustrie. Dus besloot Philips in 1953 eigen glasfabrieken op te zetten (onder meer in Eindhoven, Dreux en Aken) waardoor het niet alleen zelf televisies kon bouwen, maar tot op de dag van vandaag ook als toeleverancier voor concurrenten kon fungeren. Van 1950 tot 1960 steeg de productie van 50.000 (vooral in de VS) tot 1,2 miljoen. In de verschillende Europese landen en ook in Zuid-Amerika werd met deze aantallen een gemiddeld marktaandeel van 18 procent behaald, veelal voldoende voor het marktleiderschap.

Het besluit tot de bouw van de glasfabrieken kwam met de nodige aarzeling tot stand. Vooral van de kant van Frans Otten – schoonzoon van Anton Philips – die van 1946 tot 1961 de hoogste man bij Philips was. Ook bij andere expansiemogelijkheden komt hij in de beschrijving van Blanken naar voren als de man die op de rem trapte. Maar mede door de inbreng van zijn zwager Frits Philips, die van 1961 tot 1971 bestuursvoorzitter was, werd hij meestal over de streep getrokken. Uiteindelijk vormde de productie van beeldbuizen en televisies in de jaren na de oorlog de helft van de omzetgroei van Philips. Otten was ook de remmende factor bij de andere expansieplannen die Philips in die periode uitvoerde. In 1950 werd Philips' Phonografische Industrie (PPI) opgericht, waarvan het eerder overgenomen Decca deel uitmaakte. De platenindustrie groeide snel, maar als een kernactiviteit werd het aanvankelijk niet gezien: van echte productie was bij het opnemen en persen van platen eigenlijk geen sprake, vond men. Toch is Philips, vooral dankzij de inspanningen van Frits, tot de verkoop van Polygram in 1998 altijd in de platenbranche actief gebleven.

PPI was niet de enige nieuwe tak die werd ontwikkeld. Wapenfabrikant Hollandse Signaal (eerst voor een derde van Philips, vanaf 1955 helemaal) was daar eveneens een voorbeeld van. Ook het ontstaan van het chemie- en farmaonderdeel Philips Duphar vond net na de oorlog plaats. Philips was via samenwerking met cacaofabrikant Van Houten al sinds de jaren dertig actief in de vervaardiging van vitamineproducten. De verwachte groeikansen van de farmasector waren voor de bedrijfstop aanleiding om hierin een grotere rol te willen spelen.

Met Philips' Telecommunicatie Industrie, weer een ander initiatief, wilde het bedrijf groot worden in de telefonie. Omdat het Duitse Siemens – als nasleep van de oorlog – zijn dochter in Nederland moest afstaan, verwierf Philips in korte tijd een sterke positie. Alleen een actieve rol in de computerindustrie vermeed Philips toen nog: het bedrijf, dat een te grote technologische achterstand vreesde, werkte liever met het toen al machtige IBM samen.

De expansiedrift maakt de geschiedschrijving van Philips in de naoorlogse jaren aantrekkelijk om te lezen. Van grote spanningen binnen de top maakt Blanken nauwelijks melding. Of ze waren er niet, of hij heeft ze niet kunnen vinden. Weinig aandacht bijvoorbeeld krijgt het verzet binnen de raad van commissarissen tegen de aanstelling van Frits Philips in 1961 tot bestuursvoorzitter. Door diens betrokkenheid bij de christelijke groep Morele Herbewapening werd gevreesd dat Philips ,,een coterie van geestverwanten'' zou binnenhalen. Ook buiten de commissarissen zou er verzet zijn geweest, maar met nieuwe feiten komt Blanken niet. Het passeren van de zoon van een van de oprichter zou uiterst pijnlijk zijn geweest.

De televisie was de aanjager in de jaren vijftig, de computer had het moeten worden voor de jaren zestig. Het stijgende belang van de computer was voor Philips duidelijk, maar net als in de jaren vijftig werd de dominantie van IBM gevreesd. Desondanks werd in 1963 de NV Philips' Computer Industrie opgericht, met als hoofdvestiging Apeldoorn. De raad van bestuur liet zich meeslepen door de enthousiaste computerjongens en vele miljoenen werden in de grote `rekenwonders' gestoken. In 1970 was een afzet van 75 computers van de P1000-serie gepland, maar uiteindelijk werden er slechts 41 verkocht, waarvan 31 binnen het Philips-concern. De beschuldigende vinger ging naar de Nationale Organisaties (NO's) die zich nauwelijks zouden inzetten voor de verkoop van deze apparaten. De relatieve autonomie van de verschillende landen was aanvankelijk bejubeld, maar kreeg steeds meer schaduwkanten.

Eind jaren zestig moesten bezorgde Philips-bestuurders constateren dat de winstgevendheid van het bedrijf achteruitholde. De verliesgevende computers (in twee jaar 215 miljoen gulden) speelden daarin een rol. En met de komst van de Europese Economische Gemeenschap vielen de voordelen van de ,,geografisch georiënteerde concernstructuur'' geleidelijk weg. In 1970 werd al duidelijk dat de NO's en de problemen op digitaal gebied (computers en chips) de grote pijnpunten voor Philips begonnen te worden. De zorgeloze jaren vijftig en zestig waren definitief voorbij.

Geschiedenis van Koninklijke Philips Electronics NV, deel V (1950-1970).

I.J. Blanken, uitg. Europese Bibliotheek, Zaltbommel, €45,

ISBN 90-288-3638-1.