Duitse kiezer dwingt politiek tot `grote coalitie'

Zware nederlagen bij verkiezingen in Nedersaksen en Hessen dwingen de rood-groene Duitse regering tot samenwerking met de oppositie.

Ruim vier maanden na de Duitse parlementsverkiezingen lijkt ze er toch nog te komen, de Grote Coalitie. Ook al is het in verhulde vorm. De sociaal-democraten zullen alleen nog met steun van de christen-democraten de – volgens alle partijen – noodzakelijke modernisering van het sociale stelsel kunnen uitvoeren.

Tijdens de campagne riepen Gerhard Schröder en zijn opponent, Edmund Stoiber, afgelopen zomer om het hardst dat een coalitie van de twee grootste partijen geen goed idee was. Schröder wenste voortzetting van zijn rood-groene regering. Stoiber vreesde, onder andere met een verwijzing naar Nederland en Oostenrijk, dat een grote coalitie de kiezer in de richting van extreme partijen zou drijven. In een tv-debat zei hij: ,,Een grote coalitie betekent stilstand.'' Maar de kiezer denkt daar kennelijk anders over. Door de oppositie te versterken, en de grootste stem in de Bondsraad (de Duitse Eerste Kamer) te geven, zijn SPD en CDU tot elkaar veroordeeld.

Voor bondskanselier Schröder vormt dat het grootste probleem. Hij zei gisteren weliswaar dat het nu tijd is voor een nog duidelijker beleid. Maar binnen zijn partij bestaat er geen eenduidigheid over wélk beleid. De bondskanselier koos gisteren nadrukkelijk de kant van Wolfgang Clement, zijn superminister van Economie en Werkgelegenheid die het sociale stelsel moet vernieuwen.

Terwijl Schröder de verkiezingsuitslag probeerde uit te leggen als een roep om hervormingen à la Clement, klonk in de linkervleugel van de partij een heel ander geluid. Daar werd juist Clements hervormingspolitiek genoemd als een verklaring voor de nederlaag. Zoals zo vaak werd dit het hardst verwoord door Oskar Lafontaine, de oud-partijvoorzitter van klassiek-linkse snit die aan het begin van Schröders eerste regering door hem aan de kant werd gezet.

,,Degene die het Kaïnsteken van de onbetrouwbaarheid en ongeloofwaardigheid op het voorhoofd draagt, wordt niet herkozen'', meent Lafontaine. De neoliberale koers, ,,ook als die in rode watten ligt'', is volgens hem de doodsteek voor de sociaal-democraten. Hij doet een oproep aan ,,de kameraden om de partij te behoeden voor verdere schade''. Dat uitgerekend oude rot Lafontaine opstaat als woordvoerder van links kan ook worden uitgelegd als zwakte.

Dat in Duitsland sprake is van een Reformstau, een achterstand in de hervorming van arbeidsmarkt en sociaal stelsel, daarover is iedereen het eens. Maar zo gauw Clement komt met plannen voor een voorzichtige liberalisering van de arbeidsmarkt, een beperkte versoepeling van het ontslagrecht en een geringe aanpassing van de werkloosheidsuitkeringen, keren de vakbonden – en daarmee een aanzienlijk deel van de eigen achterban – zich onmiddellijk tegen hem.

Schröder is het conflict met die achterban tot nu toe uit de weg gegaan met een beleid van pappen en nathouden. Ongunstige berichten over de economie en de snel stijgende werkloosheidscijfers, kort na het aantreden van zijn tweede kabinet, werden gepareerd met belastingmaatregelen, zeer tegen de zin van de christen-democraten.

Een deel van die maatregelen zal nu waarschijnlijk worden teruggedraaid, omdat de regering daarvoor in de Bondsraad onvoldoende steun krijgt. Dat brengt overigens ook de christen-democraten in een lastig parket. Want ook in sommige christen-democratisch geregeerde deelstaten is die verhoging al wel in de begroting verdisconteerd. In het verleden zou Schröder handig van die oppositionele verdeeldheid gebruik hebben gemaakt om toch zijn zin te krijgen. Nu de christen-democraten een grotere meerderheid hebben in de Bondsraad zal dat moeilijker worden en zit Schröder klem tussen zijn linkse achterban en de rechtse oppositie.