Componist en wendbaar polemist

Peter Schat, die gisteren in Amsterdam op 67-jarige leeftijd aan kanker overleed, was een componist en een polemist. Hij schreef muziek en hij schreef, vaak in deze krant en op zijn website www.peterschat.com, vele artikelen over muziek, over de plaats van de componist en de muziek in de maatschappij in binnen- en buitenland. Schat was, vooral in de jaren '60 en '70, ook een activist die krachtig stelling nam in muzikale en politieke zaken. Dat culmineerde in Reconstructie (1968), een opera van een collectief van componisten en tekstschrijvers, waarin een beeld van de vrijheidsstrijder Che Guevara werd opgebouwd.

Schats eigen muziek, de laatste decennia opgezet volgens zijn eigen harmonische systeem `De Toonklok', was ook vaak direct of indirect verbonden met maatschappelijke zaken. Canto General (1974) was een klaagzang voor de vermoorde Chileense president Salvador Allende. De opera Houdini (1977), met enorm publiek succes in ons land en in het Amerikaanse Aspen uitgevoerd, had `bevrijding' als een conceptueel thema. Een Indisch Requiem (1996) was mede gebaseerd op teksten over de onafhankelijkheidsstrijd in Nederlands Indië. Het prachtige, drie kwartier durende orkestwerk De Hemel (1990) werd opgedragen aan ,,de martelaren van de democratie op het Plein van de Hemelse Vrede''.

Het bijzondere van Peter Schat, een van de grootste Nederlandse componisten uit de vorige eeuw, was dat hij ook polemiseerde met zichzelf en uiteindelijk geen moeite had om op eenmaal ingenomen standpunten terug te komen. In 1969 verstoorde hij als een van de Notenkrakers, die meer aandacht voor nieuwe muziek wilden, een concert van het Concertgebouworkest. Later sloot hij openlijk vrede met het Concertgebouworkest, dat ook zijn werk uitvoerde, zoals in 2001 zijn Gamelansymfonie. Jarenlang parafraseerde Schat de Romein Cato door keer op keer op te merken ,,En overigens ben ik van mening dat de Stopera moet worden afgebroken''. Niettemin ging daar zijn opera Symposion (1994) over de laatste levensdagen van Tsjaikovski in première en bezocht hij er regelmatig voorstellingen van eigentijdse opera's. Ook kwam hij terug op zijn bewondering voor de Cubaanse revolutie en nam hij afstand van Reconstructie.

Op dezelfde manier nam Schat afstand van het avantgardisme, van Schönbergs twaalftoonssysteem en het serialisme, waarin hij was opgeleid door zijn compositieleraar Kees van Baaren. Ook heeft Schat nog gestudeerd bij Pierre Boulez, resulterend in Entelechie I (1961). Wegens zijn afvalligheid binnen de muzikale orde werd Schat zelfs een `regenaat' en een `reactionair' genoemd. In zijn Huizinga-lezing Adem (1988) sprak Schat met afkeer over de ,,artificiële, hyper-cerebrale serialisten.''

Schat had daar uiteindelijk in 1982 zijn eigen Toonklok tegenover gesteld en daarmee de breuk met de muziekhistorie hersteld. De Toonklok is een harmonieleer met alle mogelijke drieklanken, die hij grafisch voorstelde in twaalf `uren'. Op de zolder van zijn huis bouwde hij zelf een `hemel' met de Toonklok in de ramen. Ook kwam hij met het `Derde Klavier', waarin hij het bestaande systeem van twaalf tonen uitbreidde tot negentien. Zijn obstinate eigenzinnigheid op dit gebied toonde Schat toen hij een stuk schreef voor het 31-toonsorgel van Fokker, waarbij aan het slot de subtiele wereld van die microtonen vernietigde door met beide onderarmen op het klavier te stampen.

Toch waren Schats jonge en bevlogen jaren, de jaren van provo en de Vietnam-demonstraties, ook achteraf gezien niet zijn minste. Zijn eerste muziektheaterwerk Labyrint, een soort opera (1966, libretto Lodewijk de Boer) was een multidisciplinair `Gesamtkunstwerk', met mime, dans, schilderkunst, drama en film. Naar een idee van ontwerper Floris Guntenaar, die later het fantastische decor voor Houdini maakte, kwam Schat tot het Amsterdams Elektrisch Circus, een mobiel concertpodium. Daar ging in het Vondelpark To You, voor sopraan, gitaren, toetsinstrumenten, elektronica en enorme bromtollen. Diezelfde originaliteit toonde Schat in zijn stripopera Aap verslaat de knekelgeest (1980), uitgevoerd in een tent op het Amsterdamse landgoed Frankendael.

Peter Schat schreef een groot oeuvre in tal van genres. Hij componeerde naast de al genoemde opera's drie symfonieën Symfonie nr 1 (1978), Symfonie nr 2 (1983) en de Symfonie nr 3, de `Gamelansymfonie'. Kamermuziek schreef Schat met de liederencyclus Kind en Kraai (1976) op gedichten van Mulisch.

Een Schat-festival in Utrecht in 2001, waar ook nieuwe versies van oude stukken werden uitgevoerd, gaf een mooi beeld van zijn ontwikkeling van storm naar ruisende wind, van roekeloos naar uitgebalanceerd, van wild naar mild.