Begroting Bush ruikt naar Reagan

De begroting voor 2004 die de Amerikaanse president Bush gisteren indiende, lijkt de meest expansieve sinds het begin van de jaren tachtig.

Alles in de Verenigde Staten is groter, en dat geldt ook voor de 2,23 biljoen (2.230 miljard) dollar aan uitgaven die George W. Bush gisteren voorlegde aan het Congres voor de begroting 2004, waarvan het jaar op 1 oktober aanstaande ingaat. De begroting mag, alleen al volgens de projecties van het Witte Huis zelf, de meest expansieve worden genoemd sinds de eerste termijn van president Ronald Reagan, begin jaren tachtig.

De regering-Bush zal, volgens de eigen projectie, in 2004 uitkomen op een tekort van 2,8 procent van het bruto binnenlands product. Pas in de loop naar 2008 zal dat tekort gaandeweg verminderen, tot er in de jaren daarna pas weer een overschot ontstaat. Vooral defensie, de binnenlandse veiligheid en onderwijs krijgen er veel geld bij, en ook de zorg kan rekenen op een financiële stimulans. Daarnaast zorgt een pakket van belastingverlagingen, met name het afschaffen van de dividendbelasting, voor minder inkomsten.

Ten minste even relevant als wat er in de begroting staat, is wat er niet in staat. Het huidige begrotingsjaar 2003 is daarbij instructief. Al dit jaar stevenen de VS officieel af op een begrotingstekort van 2,9 procent, waarbij de kosten van een aanval op Irak niet zijn meegerekend. Die kosten zijn ook buiten de begroting 2004 gelaten, omdat volgens de Amerikaanse regering moeilijk begroot kan worden op een oorlog waarvan nog niet zeker is of hij al dan niet zal worden gevoerd. Met een kostenraming die uiteenloopt van ruwweg 50 miljard dollar tot 200 miljard dollar (0,5 tot 2 procent van het bruto binnenlands product) is `Irak' een begrotingpost die er toe doet. Vandaar dat op de financiële markten voorzichtigheidshalve al wordt gerekend met een tekort over 2003 van rond de 3,75 procent.

Dan is er het onderliggende scenario van de economische groei. Dit is wat gunstiger dan de consensus op de financiële markten. Opvallend is dat de geprojecteerde groei terugloopt van 3,6 procent in 2004 tot 3,1 procent in 2008. Niet alleen dat gemiddelde is hoog, maar ook het aflopende karakter lijkt in tegenspraak met de veronderstelde gunstige uitwerking van de belastingverlagingen onder Bush op de langere termijn. Ook hierin lijkt, werd in 2001 al geconcludeerd, Bush jr. op Reagan. Destijds speelde de – nooit opgeloste – discussie over de zogenoemde Laffer-curve: belastingverlagingen zouden daarbij op termijn, door hun stimulerende effect op de economie, juist leiden tot hogere belastingontvangsten. Maar juist het afschaffen van de dividendbelasting, wat vooral ten goede komt aan de meer welgestelden, heeft een gering stimulerend macro-economisch effect.

Ook Bush' lage gemiddelde inflatie van 1,6 procent over de jaren van 2004 tot 2008, die de projectie van het Witte Huis bestrijkt, oogt gunstig. Die lage inflatieraming maakt het mogelijk om ook een iets lagere langetermijnrente in te calculeren, wat weer een drukkende invloed heeft op de rente-uitgaven over de staatsschuld.

Kritiek is er ook op het verdisconteren van de overschotten bij het Amerikaanse equivalent van de sociale fondsen in het begrotingssaldo. Overigens is deze calculatie ook in Europa, voorzover exact te vergelijken, staande praktijk.

Dan is er nog de onduidelijkheid over de gevolgen van de begrotingsplannen op staatsniveau. De extra uitgaven aan defensie en de andere bestedingplannen laten weinig tot geen ruimte voor het intensiveren van andere bestedingen over. Net als bijvoorbeeld in Nederland, is het niet ongebruikelijk dat de budgettaire krapte van de staat wordt afgewenteld op lagere overheden. In het Congres, waar de belangen van de staten doorklinken, kan Bush alleen daarom al kritiek verwachten op het begrotingsplan. Het afkopen daarvan vergroot het tekort weer.

Waarom dient de regering-Bush deze begroting dan in? Duidelijk is dat het Witte Huis er op rekent dat het expansieve karakter van de begroting, samen met de zeer soepele rentepolitiek van de Amerikaanse centrale banken, de economie weer snel op het gunstige groeipad van de jaren negentig zal brengen. Dat lijkt, gezien de verbazingwekkend hardnekkige productiviteitsstijging in de VS, geen onredelijk uitgangspunt. Maar het blijft een gok.

De Amerikaanse overheid is zo, onder Bush, te vergelijken met een onderneming die zich extra in de schulden steekt voor de grote sprong voorwaarts. Gaat het goed, dan kraait er geen haan naar. Loopt het fout, en valt de economie de eerstvolgende jaren tegen, dan is de schade aanzienlijk.