170.000 leerlingen doen de Cito-toets

Vandaag, morgen en overmorgen doen 170.000 leerlingen uit groep 8 van het basisonderwijs de Cito-toets. Deelname is vrijwillig, maar meer dan 80 procent van de 6.400 basisscholen doet mee. De Eindtoets Basisonderwijs, zoals de toets officieel heet, is volgens Cito zelf een `tweede gegeven'. Naast het advies van de schooldirecteur is het een indicatie voor het type voorgezet onderwijs (vmbo, havo of vwo) dat de leerling kan gaan volgen. De Cito-toets meet wat een leerling de afgelopen acht jaar op school heeft geleerd, en is dus geen intelligentietest. Uit onderzoek van Cito onder leerlingen in het tweede leerjaar van de middelbare school blijkt dat bij ongeveer zeven van de tien kinderen de schoolkeuze aansluit bij de Cito-score. Het advies van de schooldirecteur klopt bij acht van de tien kinderen.

De toets bestaat uit de onderdelen taal, rekenen en studievaardigheden (informatieverwerking). Veel scholen toetsen bovendien het vak wereldoriëntatie, maar omdat het vak teveel verschilt per school, telt het niet mee voor de eindscore. Bij de onderdelen rekenen en wereldoriëntatie krijgt de leerling 60 meerkeuzevragen voorgelegd, bij taal 100 en bij studievaardigheden 40. Steeds moet de leerling één antwoord kiezen uit vier of vijf .

De uitslag wordt uitgedrukt in een getal en een grafiek. De standaardscore, een getal tussen de 501 en 550, vergelijkt het individuele resultaat van één leerling met dat van alle leerlingen die eerder en nu deelnamen aan de toets. Het landelijk gemiddelde was vorig jaar 535. In de `poppetjesgrafiek' is te zien hoe de leerling het met die score zou doen op een bepaalde school. Per onderwijstype is aangegeven hoeveel leerlingen een hogere of lagere score hebben. Als het poppetje links staat is die school waarschijnlijk te moeilijk, als het poppetje rechts staat is de school te makkelijk.