Verhalen van bouwfraude is heel moeilijk

Schade door bouwfraude via de rechter verhalen zal gemeenten en andere benadeelden niet eenvoudig vallen. Het blijkt moeilijk om aan de hand van de schaduwboekhoudingen, waarin de werk- en prijsafspraken staan, voor elk geval het nadeel exact te bepalen.

Dat schrijft de parlementaire enquêtecommissie bouwnijverheid in antwoord op Kamervragen. Wel kan per aanbesteed bouwproject worden vastgesteld of sprake was van concurrentiebeperking en prijsopdrijving. Maar ,,het enkele feit dat in een schaduwboekhouding een aanbesteding wordt genoemd waarover vooroverleg is geweest, is onvoldoende om de schade te berekenen''.

Ook onvoldoende is de wetenschap dat in vooroverleg tussen aannemers een bedrag, de claimrechten, is vastgesteld dat onderling verdeeld is. Het hoeft geen indicatie te zijn voor de hoogte van de benadeling, aldus de enquêtecommissie. De waarde van de claimrechten is volgens de enquêtecommissie moeilijk exact te bepalen en kan per project verschillen.

De enquêtecommissie zegt niet zelf te kunnen oordelen over het openbaar maken van de schaduwadministraties. Verschillende gedupeerde overheden, waaronder de gemeente Amsterdam, hebben om openbaarmaking gevraagd. De commissie: ,,Het is niet aan de commissie doch aan de Kamer of de verenigde vergadering om op dit punt een beslissing te nemen.'' De commissie verwijst naar het reglement van orde van de Tweede Kamer waarin staat dat de Kamer openbaarmaking kan gelasten van niet door de commissie openbaar gemaakte stukken.

Een aantal Kamervragen gaat over de bevindingen van de enquêtecommissie op het punt van corruptie. Daarbij gaat het over de afstand die de onderzoeksgroep Van den Heuvel (auteur van het deelrapport over aard en omvang van de onregelmatigheden) neemt van de conclusie van de enquêtecommissie dat er géén aanwijzingen zijn voor grootschalige corruptie onder ambtenaren in de bouw. In een publicatie in deze krant meldden de onderzoekers dat die aanwijzingen er wel zijn.

Volgens de commissie is er geen meningsverschil. Het ,,vermeende'' verschil van inzicht is volgens de commissie terug te voeren op een ,,verschillend referentiekader''. ,,De enquêtecommissie hanteerde het (oude) strafrechtelijk kader met een zware bewijslast, terwijl de onderzoeksgroep-Van den Heuvel een breder kader dan het strafrechtelijke heeft aangehouden'', aldus de commissie.