Foto Frank Ruiter

‘Ik had er vanaf moment één vrede mee’

Lunchinterview Floor van Liemt kreeg op haar 20ste longkanker, werd opgegeven, ging naar huis om te sterven – en was vier maanden later kankervrij. Ze schreef er een boek over. „Laat dit dan al het ongeluk zijn dat mijn familie ooit treft.”

In het laatste hoofdstuk van haar boek richt de schrijfster het woord tot zichzelf: Floor van Liemt, 21 jaar, studente kunstgeschiedenis. Blond, blozend, en nog maar net hersteld (maar niet genezen) van een „dodelijke kettingrokersziekte” zonder ooit gerookt te hebben. Ze troost, spreekt moed in en spoort zichzelf aan weer te durven dromen van een toekomst. Maar ze maant zichzelf ook tot kalmte. Geen haast, niet steeds dat opgejaagde gevoel. Ze hoeft niet in één week te voelen en ervaren waar normale mensen een leven lang over doen.

Nu zit ze tegenover me, bij de Plantage in Amsterdam. Dit laatste hoofdstuk herleest ze regelmatig, zegt ze. Alsof ze zichzelf af en toe even in de arm moet knijpen om te beseffen dat haar „iets enorms” is overkomen. Om te beginnen kreeg ze een ziekte die ze, op haar leeftijd, helemaal niet kón krijgen. Uitgezaaide longkanker. Een ‘witte raaf’, noemt de behandelend arts haar, en dat is nu de titel van haar boek. Dan: het krankzinnig korte tijdsbestek waarbinnen ze ziek werd en weer genas. Dat blakende meisje dat in haar cappuccino roert, was nog geen jaar geleden ten dode opgeschreven. Sterker nog: het hele traject van diagnose, opgegeven worden, naar huis gaan om te sterven, toch een medicijn vinden dat aanslaat, weer helemaal kankervrij zijn en – onder voorbehoud – doorleven, al met al heeft dat nog geen vier maanden geduurd.

We waren allemaal student, iedereen zag er slecht uit

En dan heeft ze ook nog, voor er een jaar om is, haar leed weten om te zetten in iets moois. Eerst in onderkoeld eerlijke columns voor NRC, en nu in een boek dat geen lezer onberoerd zal laten. Nergens is ze larmoyant of juist overdreven stoer. Ze schrijft heel precies op wat er is gebeurd, en wat vooral zo aangrijpt is haar oog voor het verdriet van anderen. Voor de jonge arts in het ziekenhuis in Utrecht die haar, zelf ook in tranen, het nieuws brengt. Voor haar moeder die zo kalm en verstandig mogelijk blijft, voor haar vader die haar zieke longen liever zelf gehad zou willen hebben. Voor haar twee jongere broertjes Willem en Harmen, de negen meisjes met wie ze in één huis woonde in Utrecht, haar jeugdvriendin, de leeftijdgenoten met wie ze de laatste twee jaar van de middelbare school doorbracht in Wales en die haar allemaal bezoeken in haar ouderlijk huis in Delden. Hardop wordt het niet gezegd, maar ze komen natuurlijk om afscheid van haar te nemen.

Gehaast, altijd te laat

Ze leeft zo mee met ieders pijn, dat je je bijna zorgen maakt om de hare. „Ik had er vanaf moment één vrede mee”, zegt ze. Wat zij voelde op die elfde december 2017 toen ze haar doodvonnis kreeg, was vooral: opluchting. Opluchting dat er een eind was gekomen aan een periode waarin ze zich „rot” en eenzaam voelde, en geen idee had waarom of waardoor. Het was zomer, ze was derdejaarsstudent rechten, ze had een vriendje en ze zou met een klein clubje de almanak maken voor haar studentenvereniging. „Het had een heel leuke tijd moeten zijn.” In haar herinnering heeft ze eindeloos rondgelopen met een kuch die maar niet overging.

Op zeker moment kwam daar ochtendbraken bij. „Ik wist dat ik niet oké was, maar ik heb nooit willen zeggen: ik trek het niet, ik voel me echt niet goed.”

Waarom niet? „Ik kon me er niet aan overgeven. Ik stond letterlijk niet stil.” Als ze terugdenkt aan die periode ziet ze zichzelf voortdurend op de fiets zitten. Gehaast, altijd te laat, moe en niet meer de gezellige gangmaker die ze altijd was. Zag ze er niet slecht uit? „We waren allemaal student, iedereen zag er slecht uit.” Vermagerde ze niet? „Het heeft lang geduurd voor ik begon af te vallen. Pas toen ik wist wat ik had, verloor ik mijn eetlust.”

Dat zij het was die ziek werd en niet een van haar broertjes, vond ze ook een opluchting. „Het is beter dat ik het ben. Ik kan het aan. Het past ook bij mijn rol als oudste in het gezin. Ik was altijd de zelfstandige, de verantwoordelijke. Ik wil dat zij gelukkig zijn.”

En ze waren ook gelukkig. Haar ouders hebben een goed huwelijk, haar moeder is rechter bij het hof, haar vader ondernemer. Ze wonen landelijk in een fijn huis in Twente, en als de stad lonkt, wijken ze uit naar hun appartement in de Amsterdamse Jordaan. Floor werd voor elke club of studie ingeloot, geselecteerd en uitgekozen. Nooit een dag zwak, ziek of misselijk geweest. „Zelfs geen bloedneus.” Ze heeft altijd geweten, zegt ze, dat ze het goed had. „Misschien wel te goed?” Nu zij degene is die getroffen is door het lot, is het onbestemde gevoel dat ze als kind al had, verdwenen. „Er hing onheil in de lucht. Zo voelde dat. Iemand zou iets ergs overkomen. Wist ik veel dat het om mezelf zou gaan.” Ook dat is een soort van opluchting. „Oké, dit is het dus. Laat dit dan al het ongeluk zijn dat mijn familie ooit treft.”

De snoeptrommel is nog niet leeg

We nemen allebei shakshouka, een gerecht met tomaat, paprika, ei en spinazie. Vindt ze dat ze extra gezond moet eten? Ze drukt haar handen op haar oren. „De één zegt dat ik vegan moet worden, de ander dat ik suikers moet mijden want die bevorderen de groei van tumoren.” Ze heeft besloten zich nergens wat van aan te trekken en te doen waar zij zich het beste bij voelt. Alles met mate, ook al druist dat soms tegen haar natuur in. „Ik ben nogal onmatig van aard.” Ze eet waar ze zin in heeft, ze sport, ze drinkt af en toe een wijntje, en gaat één keer per week een avond uit. „Levensvreugde lijkt me het meest gezond.”

En dat is al lastig zat, want ook al zijn de tumoren uit haar lichaam verdwenen, beter is ze niet. Ze gebruikt nu een medicijn dat gericht de kankercellen doodt. Inmiddels is ze bezig aan het tweede medicijn, want voor het eerste raakte ze immuun. Als dit ook niet meer werkt, is er een ander, en daarna misschien nog wel één, de snoeptrommel is nog niet leeg, zeggen de dokters. Maar zolang de onderliggende, genetische oorzaak van haar ziekte niet verholpen is, blijft ze met een tijdbom zitten. „Mijn nieuwe vijand is onzekerheid.”

Het is een mindfuck, zegt ze. Voor de mensen die haar kennen, en denken dat al het leed nu achter de rug is. Voor nieuwe mensen die ze ontmoet, die zich niet kunnen voorstellen dat in dit jongevrouwenlichaam een terminale ziekte huist. Maar voor haar is het toch wel de grootste mindfuck. Voor altijd blijven wachten tot het weer misgaat, is geen leven. Maar hoe leef je dan wel door? In haar geval was dat, vrij letterlijk, eerst een kwestie van weer leren ademen. „Ik ademde hoog en oppervlakkig. Dat ging over in hyperventilatie. Die angst, de paniek dat je geen lucht meer krijgt, dat was nog veel naarder dan mijn ziekte.”

Bij elk kuchje is ze alert

Ze studeert weer. Geen rechten, ook al had ze bijna haar bachelor, en ook niet in haar studentenhuis in Utrecht. Ze woont nu, alleen, in Amsterdam en doet kunstgeschiedenis, de eerste tentamens heeft ze net gedaan. Ze is van één scan per maand naar één scan per drie maanden gegaan. „Toen ik ziek was, was het minder eng. The only way was up.” Door de medicatie is haar lichaam nagenoeg schoon, op wat littekenweefsel in haar longen en wat schade in haar botten na.

Het ingewikkelde van beter zijn is dat er ook weer iets te verliezen valt. Bij elk kuchje is ze alert. „Er is een stemmetje dat soms, op onverwachte momenten, opduikt en zegt: droom maar niet te groot. Deze studie maak je ook niet af. Let maar op: je gaat jezelf nog een keer teleurstellen.” Maar ze staat zichzelf toe te hopen. Te hopen dat er snel een medische oplossing komt voor haar genetische defect. „Vijf jaar geleden waren de medicijnen die ik nu slik er ook nog niet. Dus zo onrealistisch is mijn hoop niet.”

Het liefst, zegt ze, zou ze alles vergeten wat er is gebeurd. En nu het boek er is, durft ze dat. „Mijn verhaal is opgeschreven, ik kan erbij als ik daar behoefte aan heb. Het is vastgelegd voor het geval het goed afloopt. Dan laat ik het later aan mijn kleinkinderen lezen.” Zo was het vroeger om kanker te hebben. „Maar ook als het slecht afloopt, is het goed. Dan kan mijn familie lezen hoeveel we ook gelachen hebben. Hoe fijn we het hadden en hoeveel liefde er was. Het is hoe dan ook goed.”

    • Rinskje Koelewijn