Pavlov-teckeltjes

Het is alweer bijna drie jaar geleden dat de chef sport van deze krant mij vroeg of ik zin had om een keuteltje in een hoek van zijn maandagkatern wekelijks neer te leggen. Ik schrok en vroeg enkele dagen bedenktijd. Drie helse dagen waarmee de grootste existentialistische worstelpartij uit mijn bestaan een feit werd. Het kostte me ook drie horizontale sessies nachtrust alvorens ik het stemmetje van mijn geweten tot zwijgen kon brengen. Toen ik ermee klaar was, hoorde ik hem nog net uit de diepte van mijn vergetelheid een laatste gedempte poging wagen: `Niet doen, niet doen! Je houdt teveel van sport om deze daad van hoogverraad te plegen, om tot de laffe sekte van parasitaire sportcolumnisten toe te treden.'

Al bij mijn eerste stukje voelde ik een rilling van afkeer door het onderwereldje lopen. Wat mot die hier? Wie heeft die pseudo-intello hier binnengelaten? Die pedante Fransoos, die buitenstaander die nooit bij de familie zal horen? Dat stukje ging onder meer over die te korte armpjes van de gebroeders De Boer die beter bij rechtopgaande watervogels uit het zuidelijk halfrond zouden passen alsmede over hun brede en hoge voorhoofd dat in het gezicht gaapt als een lege strandboulevard op een winderige herfstdag. Binnen een etmaal ontwaakte de logge voorhoede van het suffe en gemakzuchtige gilde in een hoestbui van verontwaardiging.

Die arme Guus van Holland werd van alle kanten ferm gevraagd zich te verantwoorden voor het schenden van deze interne maffiawetten. Eruit! Eruit die asielzoekende paria zonder A-status! De volgende avond bij de weerzinwekkende ouwehoerenclub van RTL5, Sport aan tafel, braakten twee stamgasten – een langharige sigarenrookspuwende nitwit en een door te lang zitten bijna versteende voetbalcommentator – hun misgenoegen over mijn persoontje uit. Ze verkondigden plechtig voor de camera's nooit meer deze krant te zullen lezen en het scheelde een haar of ze hadden hun interne commissie voor persdelicten op de indringer afgestuurd. Ik zuchtte van opluchting, nu al gesterkt in mijn opvatting dat mijn perifere bijdragen nooit tot de blubberende kern van hun wekelijkse idioterie zouden doordringen.

Soms, als ik onder een stang lig met 160 kilo erop, een discus over de 45 meter werp of zoals deze zomer wanneer ik een ereplaats bij een EK-masters haal, denk ik even aan die alwetende sportbacteriën die de zuiverheid van de leer al jaren met hun armetierige stukjes infecteren. Ik probeer me te verbeelden hoe ze week in, week uit hun wekelijkse afscheiding alvast concipiëren: onderuitgezakt en uitgeteld voor een tv-scherm vol bewegingen, hun hangbuik vol klotsende gist met binnen handbereik de gratuite anathema's die ze in hun immense afgunst straks zullen loslaten op al die beweeglijkheid. En maar hun vrouwtje voor de zoveelste keer opvoeren en maar hun teiltje met voorspelbaar braaksel over Louis vullen.

Toen zijn kop afgelopen week vanuit Barcelona de Nederlandse ether werd ingeslingerd, wist ik het al: ze gaan allemaal, eensgezind, monolithisch, uniform en eendimensionaal over hem schrijven. Ze weten niet beter, die Pavlov-teckeltjes. De laatste dagen beperkte ik me tot het eerste of laatste zinnetje uit hun stukjes: `Soms droom ik over Louis van Gaal' of `Zingt Louis in bad en zo ja, welk lied'. Ik wist alweer genoeg en hoefde de rest niet meer te slikken. Volgende week? `Louis peuterde aan zijn neus', `Van Gaal droeg sokken vol gaten', `Toen ik mijn eerste Gaaletje uitperste'.

Uit nieuwsgierigheid besloot ik de naam van één van hen in combinatie met die van Van Gaal op het scherm van een databank in te toetsen. Van het resultaat werd ik zo duizelig dat ik van mijn stoel viel: 138 stukjes. Nu wil ik best erkennen dat die trainer een smakelijk onderwerp vormt voor de gemakzuchtige sekte der sportcolumnisten. Maar probeer eens 365 dagen per jaar alleen maar Châteaubriand met truffels te eten, naar verloop van tijd gaat je koningsmaal als een half bevroren pizza van Iglo smaken. Laat mij dan in een hoekje alleen kauwen. Ik ben niet van de familie.