Ayaans moeder

Waar schrok ik zo van, toen ik Ayaan Hirsi Ali's visie op de tien geboden (Trouw, 25 januari) las? Was het mijn onderdrukte cultuurrelativisme? Een verscholen gevoel van socialistische `solidariteit' met de zwakkeren van de samenleving, die arme drommels van migranten die geen kant op kunnen en dus telkens tegen de muur van hun eigen cultuur aanlopen, net als die goedkope opwindbare poppen en diertjes op wieltjes? Had ik de standaard gevoelens van `maar niet alle moslims...' of: `Er zijn zoveel stromingen...' of: `Je kunt ze niet over een kam scheren...', was het dat?

Behalve geschrokken was ik ook geïmponeerd. Die ranke, bijna fragiele vrouw die zo bokst als Mohammed Ali vroeger, meppen uitdeelt die je met geen mogelijkheid had kunnen zien aankomen, zo heerlijk huppelend met de taal, hoewel Arjan Visser als journalist er natuurlijk bij was en aan dat lichte huppelen een belangrijke bijdrage zal hebben geleverd.

Maar toch! Hoe durft iemand in het moslimvijandige milieu van tegenwoordig zulke woorden te uiten? Mohammed als perverse pedofiel, wreedaard, opportunist en natuurlijk, allemaal gemeten naar `onze westerse maatstaven'; dat is goed ingedekt, daar komt geen tegenstander doorheen, terwijl zij al dribbelend links en rechts klappen uitdeelt. Het recht om te beweren dat het moslimgeloof eerder vrees inboezemt en de moslimcultuur overleefd is, zegt Ayaan Hirsi Ali te krijgen van haar afkomst: Vergeet niet waar ik vandaan kom, ik ben moslim geweest, ik weet waarover ik praat.

Het geeft een air van authenticiteit, maar is het ook juist? Mag ik als niet-moslim niet dezelfde kritiek hebben? Of moet ik uit respect voor de ander `onbegrip' voorwenden en mij onthouden van een mening? Dat is het oude cultuurrelativisme waar we juist van af wilden.

Ik weet dat het een voordeeltje is als je het zelf hebt beleefd: ik kan mij op grond van mijn Surinaamse achtergrond, waar ik als hindoe werd opgebracht, kennelijk meer vrijheden veroorloven dan mensen zonder die achtergrond. Maar dat is een typisch westerse houding die al een eeuw lang inramt dat je anderen niet mag vernederen terwijl je zelf rustig je nest mag bevuilen. Het wordt zelfs aangemoedigd: leve de nestbevuilers, was ooit een kop in de Groene Amsterdammer.

Op grond van die houding zou ik mijn mond moeten houden over bijvoorbeeld India, zoals zoveel Indiërs trouwens inderdaad vinden, omdat ik het als `buitenstander' nooit en te nimmer zal begrijpen. Ik kan dat nog altijd bestrijden met het feit dat ik ex-Indiër ben, omdat mijn verre voorouders ervandaan kwamen maar dat vind ik, welbeschouwd, een tamelijk stompzinnige verdediging.

Ayaan Hirsi Ali gelooft niet in Allah en in één en dezelfde adem niet in God in het algemeen, omdat je vroeg of laat begrijpt dat hij je niet te hulp schiet als je Hem nodig hebt. Het doet me denken aan de grap van de jongen die elke dag bad om een fiets, en toen begreep dat het zo niet werkt, waarop hij een fiets stal en vervolgens bad om vergiffenis. Want God kan volgens de meeste godsdiensten heel weinig, namelijk achteraf vergeven. Hij kan hooguit het lot bepalen, maar de meeste godsdiensten leren ook dat de mens het lot kan tarten.

Ik geloof ook niet in God, en zelfs niet in vergiffenis of het lot, maar ik vind het niet erg als anderen wel een godheid nodig hebben eerlijk gezegd, als je dat wel erg zou vinden zou je in een land als India gek worden, waar ze zelfs bij de aanschaf van een auto of een computer het ding eerst in laten inzegenen door een priester, met bloemenkransen en wierookjes en al.

Anders wordt het als die God tirannieke wetten oplegt, die vernederend zijn voor sommigen binnen dat geloof, zoals het geval is voor vrouwen in de islam. Ik weet niet of het hindoeïsme zoveel vrouwvriendelijker is, wel dat het percentage vrouwelijke professoren hier vier keer hoger is dan in Nederland. En dat de grootste krant, de grootste motorfietsenfabriek en een van de grootste destilleerderijen door vrouwen worden geleid, en dat India veel en veel meer vrouwelijke bedrijfshoofden telt dan welk land in het westen dan ook. Ik weet ook dat in matriarchale culturen als in het Caraïbische gebied de vrouwen niet per se gelukkiger zijn dan in patriarchale.

Ik heb hoe dan ook moeite met hele algemene beweringen, zelfs ten opzichte van de islam, waar tegenwoordig iedereen een vrijbrief voor heeft: India is op Indonesië na het grootste moslimland ter wereld en nergens zijn juist de moslims zo seculier, goed opgeleid en modern als in India, dankzij een jarenlang volgehouden voorrangsbeleid. Algemene beweringen klinken wel zwierig, maar als je gedetailleerder kijkt, treedt steevast de twijfel in.

Ben ik het dus oneens met Ayaan Hirsi Ali? Nee. Wat ik zo bewonderenswaardig vind is dat ze daadwerkelijk het persoonlijke politiek maakt, en omgekeerd, het politieke persoonlijk. Wat ze bijvoorbeeld vertelt over haar moeder zelfs Ischa Meijer indertijd had het niet feller gekund: ze noemt haar een strenge vrouw met een sterke wil, maar de tiran in huis was niet Mohammed, maar haar moeder, die niet ophield te slaan en te smijten (zoals Ayaan dat nu ook doet, zij het met woorden).

De angst voor de islam was de angst voor de islamitische vrouw, al heeft Ayaan Hirsi Ali daar begrip voor: telkens in de steek gelaten door haar man, er helemaal alleen voor staan, als trotse dochter van een vooraanstaand rechter de vernedering ondergaan om boodschappen te moeten doen in landen waar ze de taal niet sprak. Ze zegt openlijk dat ze meer van haar vader houdt dan van haar moeder en ook, na een lange tirade: `Ik wil het leven van mijn moeder niet'.

Die ene zin heeft mij diep geraakt. Ik heb in mijn leven veel levensverhalen opgetekend, in veel delen van de wereld, en telkens kon je de essentie zo samenvatten: `Ik wil mijn moeder niet zijn'. En daarmee wordt Ayaan Hirsi Ali's relaas zo volstrekt oprecht en bovenal: noodzakelijk. Ooit zullen de moslims haar dankbaar zijn, daar heeft ze gelijk in. Mijn dankbaarheid heeft ze al.

ramdas@nrc.nl