Arabische Othello als kippige Colin Powell

Verschroeide tartaar, zotte nikker, glimmende kachelpijp, Maghrebijn, zandneger, Naffer, kameel, woestijnrat, Saraceen. In de prachtige vertaling die schrijver Hafid Bouazza maakte van de tragedie Othello , geeft hij vele beladen synoniemen voor Shakespeare's neutrale aanduiding `Moor'. Bij Bouazza is Othello meer dan ooit een gediscrimineerde Arabier. Hij is een vreemdeling die nooit zeker is van zijn positie. Met zijn jaloezie komt ook de woeste `woestijnman' onder het laagje beschaving vandaan, bezeten van eer en wraak. Van mens verwordt hij tot racistisch cliché. In de dialogen is Bouazza verrassend direct, in de monologen is hij lyrisch, met prachtige metaforen. Opmerkelijk is dat Bouazza zelfgeschreven passages aan Othello's monologen toevoegt – ontleend aan teksten van Middeleeuwse Arabische dichters – waardoor de generaal een culturele achtergrond en een verleden krijgt. Othello was ooit een slaaf in Frankenland die zichzelf vrijkocht door zijn meester met het zwaard te dienen. Onthullend is de nieuwe zin: ,,Zoals de meisjes van mijn stam mij bespotten om mijn huidskleur.'' Ook in Marokko was de kleine Othello een buitenbeentje.

Met deze Othello heeft regisseur Ivo van Hove zijn reeks mislukte experimenten met jongerenmuziektheater bij Toneelgroep Amsterdam beëindigd, en keert hij terug naar het ijzeren repertoire, het teksttoneel. Dat is heugelijk nieuws. Helaas kan ik niet enthousiast zijn over zijn enscenering. Ondanks enkele sterke scènes is er iets is mis met het ritme van de voorstelling. Het klikt niet, het loopt niet, het mist energie.

Het beginbeeld plaatst Othello in de mannenwereld, waarmee een van de thema's van het stuk wordt benadrukt: het onvermogen van de werkverslaafde mannenman om met vrouwen en huiselijk geluk/ongeluk om te gaan, de bokser die zijn werk mee naar huis neemt. Tussen blauwe gordijnen zien we een militaire ontspanningsruimte met een boksbal, een sportkapstok vol Amerikaanse uniforms, en gespierde heren in handdoekjes. Bij de storm waarmee het tweede bedrijf opent, waaien de gordijnen weg en staan de spelers in het kale toneelhuis. Het gezeul met lelijke grijze loungestoelen benadrukt dat dit geen gelukkig gekozen decor is. Achterin staat een glazen huisje dat Othello's kwetsbare huwelijksgeluk verbeeldt. Het huisje geeft Van Hove de kans om snel te schakelen van de grote wereld naar de intieme slaapkamer. Maar die slaapkamer heeft niets knus en staat te ver weg.

Bouzazza en Van Hove stellen zich ten doel het toneelstuk terug te geven aan de titelheld. Doorgaans wordt Othello van het toneel gespeeld door de schurk Iago, die hem zijn jaloezie inblaast en hem tot de moord op zijn vrouw drijft. Nu moet Othello weer centraal staan. Die taak neemt de geelbruin geschminkte Hans Kesting met verve op zich. Hij is een overtuigende Othello die de vele stadia die de generaal doormaakt overtuigend en subtiel toont. Hij heeft het fysieke vermogen om zowel de formele hark met de hangende schouders, als de stoere krijger en de innemende jongen te spelen. Steeds weer krimpt en groeit hij; hij begint stijf in zijn gala-uniform met een brilletje op (een verwijzing naar zijn slechte zicht), als een soort Colin Powell, groeit als hij woedend is, krimpt als de twijfel in zijn hart is gezaaid, herneemt hij zich en wordt weer de onverzettelijke doder.

Iago (Roeland Fernhout) wordt in deze versie vooral gezien als de kwade kant van Othello, zijn misleidende westerse loods, de verkeerde vriend. Hij staat voor de eeuwige afgunst en verongelijktheid. Om de spiegeling te benadrukken draagt hij praktisch hetzelfde uniform, ze hebben allebei een geschoren kop, Kesting is alleen veel groter. Visueel maken ze een mooi duo. Sterk is de scène waarin de mannen trouw aan elkaar zweren. Kesting trekt per ongeluk het te kleine jasje van Iago aan. Zijn eigen jas ziet hij niet liggen.

Maar Iago moet de motor van het stuk zijn, niet Othello. En Fernhout is geen partij voor Kesting. Zijn gezichtsuitdrukking kent te weinig variatie. Als hij zijn tekst zegt, dwalen mijn gedachten af. Als bijrol zou hij afdoende zijn, maar als opjager van het stuk schiet hij tekort. Ook de andere rollen zijn zwak bezet, waardoor Kesting te veel alleen staat. Uit Fernhouts mond en uit die van de anderen klinken de teksten van Shakespeare te gewoontjes en ongemeend waardoor ze potsierlijk worden en misplaats gegrinnik opwekken.

Voorstelling: Othello van William Shakespeare, door Toneelgroep Amsterdam. Vertaling: Hafid Bouazza. Regie: Ivo van Hove. Gezien 1/2 Stadsschouwburg, Amsterdam. Aldaar t/m 8/2. Tournee t/m 25/3. Inl. (020) 624 2311 of www.toneelgroepamsterdam