Zwartwerken voor de witten

Het politieke klimaat in Nederland is harder geworden. Bij het woord illegaal denkt niemand meer aan de brave Turkse kleermaker Gümüs, tegen wiens uitzetting een paar jaar geleden zelfs de burgemeester van Amsterdam protesteerde. Bij illegalen denken mensen nu aan criminaliteit en onbeheersbare taferelen.

Maar wat weten we eigenlijk? Hoeveel zijn het er, waar zitten ze en hebben we er last van?

Een zwerftocht door het ondergrondse.

Ruim een maand had Ming, zanger in een nachtclub in het noordoosten van China, lessen gevolgd over de glastuinbouw. Hij wist hoe hoog het energieverbruik was, hij had geleerd welke soorten kassen er waren en welke meststoffen werden gebruikt, hij had contracten bestudeerd van bedrijven. In het voorjaar van 2001 meldde hij zich met vijf andere Chinezen bij de Nederlandse ambassade in Peking. Ze werkten voor een glastuinbouwbedrijf, zeiden ze. Ze wilden twee weken op studiereis naar Rotterdam.

Ming had een nieuw paspoort bij zich. De slangenkoppen - Chinese mensensmokkelaars - hadden dat voor hem geregeld. Hij had een andere naam gekregen en een andere geboortedatum. Hij was zesentwintig, maar volgens zijn paspoort was hij drieëndertig, oud genoeg om zakenman te zijn. Er stond ook in dat hij was getrouwd. Na de excursie zou hij graag teruggaan naar zijn vrouw.

Medewerkers van de ambassade praatten met de Chinezen. Ze wilden weten wat die precies gingen doen in Nederland, ze vroegen naar hun bedrijf. De Chinezen waren zenuwachtig. Een van hen zei iets over de omvang van het bedrijf dat niet klopte. Hun visumaanvraag werd afgewezen.

Een half jaar later lukte het de slangenkoppen een nieuwe afspraak te maken op de ambassade. Het groepje kreeg opnieuw iedere dag les en er werd voortdurend herhaald wat ze moesten weten. In het tweede gesprek met de Nederlanders maakten ze geen fouten. Ze kregen een visum voor dertien dagen.

Ming had de smokkelaars 5.600 euro betaald. Dat was veel minder, zegt hij, dan Chinezen uit het zuiden betalen. De consulaten weten dat er in dat deel van China vaak misbruik wordt gemaakt van visa. In de provincie Fujian bijvoorbeeld, waar de slachtoffers van het Dover-transport vandaan kwamen, vragen de slangenkoppen zo'n 20.000 euro voor een reis naar Europa.

Ming en zijn collega's hadden weinig bagage bij zich, ze zouden maar kort blijven. Op het vliegveld van Peking werd Ming tegengehouden, omdat hij er jonger uitzag dan 33, maar zijn paspoort bleek geen vervalsing te zijn en hij kon vertrekken. Voor het eerst van zijn leven zat Ming in een vliegtuig. Hij was het liefst naar Groot-Brittannië gegaan. Van Nederland wist hij niets en hij kende er niemand. Maar de slangenkoppen hadden Schiphol voor hem uitgezocht.

Ze kwamen 's nachts aan. De anderen uit zijn groepje werden door de marechaussee meegenomen. Ming denkt dat ze zijn teruggestuurd. Hijzelf kon doorlopen. In de aankomsthal belde hij een nummer van een contactpersoon in Italië, dat hij van de slangenkoppen had gekregen. Maar de man verstond hem niet en hing op.

Weinig feiten

Onderzoekers gaan ervan uit dat er in Nederland tussen de 112.000 en 163.000 illegalen zijn, maar zeker weten we dat niet. We weten ook niet hoe lang ze blijven, hoe ze overleven, waarom ze naar Nederland zijn gekomen en hoe. Illegalen laten zich niet makkelijk onderzoeken. Ze vallen liever niet op. Toch hebben de meeste Nederlanders wel een mening over hen. Die is vaak hard en uitgesproken, vooral als ze zelf niemand kennen die illegaal is.

Een paar jaar geleden was een illegaal ook nog weleens iemand als Zekeriya Gümüs, de kleermaker uit Amsterdam die in het najaar van 1997 door staatssecretaris Schmitz van Justitie werd teruggestuurd naar Turkije. Zijn vertrek leidde tot hevige protesten. Gümüs, von- den veel mensen, was een nette man. Hij had jaren hard gewerkt en belasting betaald. Zelfs burgemeester Patijn van Amsterdam drong aan op een verblijfsvergunning voor de populaire stadgenoot. Nog jarenlang gingen er Nederlanders naar Turkije met vakantie om Gümüs te ontmoeten. Hij werkte voor de reisorganisatie Neckermann in het appartementencomplex 'Gümüs Apart' in de badplaats Alanya.

Nu is er geen illegaal die nog zo keurig kan leven als Gümus. Dat komt door nieuwe, strengere wetten. Sinds begin jaren '90 krijgen illegalen geen sofinummer meer. Door dat sofinummer werden ze niet 'herkend' als illegaal. Ze konden wit werken, en bij arbeidsongeschiktheid kregen ze bijvoorbeeld een wao-uitkering. In 1994 werd de Wet op de identificatieplicht aangenomen, waardoor het nog moeilijker werd voor illegalen om werk te krijgen. En vanaf de invoering van de Koppelingswet in 1998 zijn ze uitgesloten van voorzieningen als gezondheidszorg, huisvesting, kinderbijslag en onderwijs.

Niemand denkt nog aan Gümüs. Zijn naam trekt geen toeristen meer naar het hotel in Alanya, hij moest op zoek naar ander werk.

Als het nu over illegalen gaat, gaat het bijna alleen nog over politieacties, overlast, chartervluchten naar Bulgarije, of speciale gevangenissen ('uitzetcentra').

Het is nauwelijks nog voor te stellen dat een staatssecretaris - de PvdA'er Aad Kosto van Justitie - in 1992 excuses moest maken, omdat hij het op een bijeenkomst met partijleden had gehad over 'het laten verdwijnen' van illegalen. Of dat een partijvoorzitter - Felix Rottenberg van de PvdA, ook in 1992 - door zijn fractievoorzitter werd terechtgewezen, omdat hij had gezegd dat inwoners van grote steden last hadden van 'honderden illegalen' die crimineel waren. De fractievoorzitter, Thijs Wöltgens, vond het maar niks dat Rottenberg een 'direct verband' had gelegd tussen illegalen en criminaliteit. In Trouw zei Wöltgens: 'Als een illegaal zich crimineel gedraagt, moet de politie hem als een crimineel aanpakken, zijn verblijfsstatus is dan niet relevant.' De PvdA organiseerde in dat jaar in Den Haag een speciale bijeenkomst over illegalen. Er waren dranghekken neergezet, de mobiele eenheid stond klaar om mensen tegen te houden die woedend waren om wat Kosto en Rottenberg hadden gezegd.

En nu?

'Illegaal kan niet leven zonder roof', schreef de Telegraaf een paar maanden geleden. Aanleiding was een onderzoek van de Erasmus Universiteit naar illegalen in Nederland, in opdracht van het ministerie van Justitie. Uit gegevens van de politie bleek dat illegalen de afgelopen jaren vaker lichte delicten plegen. Winkeldiefstal is zo'n delict, inbraak, vernieling, en ook het bezit van valse papieren. Van de illegalen die in 1997 door de politie werden aangehouden, werd 18,5 procent verdacht van zo'n delict. In 2000 was dat gestegen tot 28,2 procent. De onderzoekers noemen het 'overlevingscriminaliteit', 'een ongewenst en onbedoeld effect van het huidige restrictieve vreemdelingenbeleid'.

'Iedereen is nu gefixeerd op die criminaliteit', zegt Joanne van der Leun, criminoloog en een van de onderzoekers. 'We wisten van tevoren dat het in de publiciteit alleen dáárover zou gaan. Jammer is het wel.' Want er waren ook andere bijzondere uitkomsten, die het gevolg lijken te zijn van de nieuwe wetten. Illegalen werken bijvoorbeeld niet meer vooral in de tuinbouw of bij schoonmaakbedrijven, maar steeds vaker als oppas, schoonmaker, privé-leraar bij mensen thuis, waar ze geen kopie van hun paspoort hoeven in te leveren. Of in cafés en restaurants.

Vroeger kwamen illegalen vooral uit Turkije, Marokko of Suriname. Nu komen ze uit veel meer verschillende landen. De nieuwe illegalen hebben het vaak moeilijker dan de 'oude'. De Turken, Marokkanen en Surinamers kregen bij het zoeken van woonruimte en werk vaak hulp van landgenoten die zich al in de jaren '60 of '70 in Nederland hadden gevestigd. 'Het is een harder bestaan geworden', zegt Joanne van der Leun, nu onderzoeker en docent aan de Universiteit Leiden, 'en de angst is heviger.'

Angstige levens

Ming is niet de echte voornaam van de Chinese nachtclubzanger. Hij is bang voor de politie. En hij heeft de slangenkoppen moeten beloven dat hij nooit iets zou vertellen over hun bemoeienis. Ook de Peruaanse Juana die in dit verhaal voorkomt, denkt dat de politie haar zal zoeken als haar echte naam bekend wordt. Vorig jaar werd ze aangereden op haar fiets. Ze raakte gewond, maar ze zei tegen mensen die haar hielpen dat er niks aan de hand was. 'Ik dacht: als de politie komt, is alles voorbij.' De twee mannen uit het West-Afrikaanse Benin, die in de Bijlmer wonen en folders rondbrengen, zijn bang dat ze hun baan kwijtraken. Ze vinden dat ze slecht worden behandeld door hun Ghanese baas en dat willen ze graag vertellen. Maar niet met hun naam erbij, ze hebben niet zomaar ander werk. Mahmoud uit Marokko is voor iedereen bang. Hij werd twee keer opgenomen in een psychiatrische kliniek. Werk heeft hij niet meer. Maar hij zal nooit teruggaan naar zijn vrouw en kinderen in Marokko, zegt hij. 'Daar ben ik een gekke man. Kinderen gaan stenen naar mij gooien.'

Jean uit Niger heet echt Jean. Maar er is bijna niemand die dat weet. Hij werkt bij een schoonmaakbedrijf en gebruikt de naam en het sofinummer van een vriend van zijn zus. Ook bijna niemand kent de echte voornaam van de Colombiaanse Fredy, bloemenverkoper in een dorp in Noord-Holland. Of van Andrea uit Chili, die als schoonmaakster werkt in Amsterdam.

Omar Adli uit Marokko vindt dat iedereen mag weten hoe hij heet. Iedereen mag weten welk onrecht hem door Nederland is aangedaan. Hij leefde in Marokko van een Nederlandse wao-uitkering, totdat hij in 1997 opeens werd goedgekeurd. Nu is hij al bijna vijf jaar illegaal in Nederland om die beslissing van de keuringsartsen ongedaan te maken.

Emmanuel Frimpong uit Ghana heeft tien jaar in Nederland gewoond, maar hij is nu terug in Ghana. Hij had geen werk meer. Nu hoeft Frimpong voor niemand meer bang te zijn. Ook de Tsjechische Irena en haar vriend Marian zijn teruggegaan. Irena werkte maandenlang op de tippelzone in Amsterdam. Irena en Marian willen graag dat hun naam wordt genoemd, en het liefst ook die van de Joegoslaaf die hen heeft mishandeld en beroofd.

Geld verdienen

Ze kwamen bijna allemaal naar Nederland omdat ze in hun eigen land geen werk hadden. Ming wel, maar hij vond dat hij in de nachtclub weinig verdiende, zo'n honderd euro per maand. En hij wilde weleens wat anders zien dan China. Nu werkt hij in een Chinese supermarkt in Amsterdam. Hij veegt de vloer en vult de schappen, zes dagen per week, van 's ochtends half tien tot 's avonds acht. Hij krijgt er vierhonderd euro per maand voor. 'Dat zou ik in China nooit kunnen verdienen.'

Jean (40) was leraar Frans en Engels op een middelbare school in Niamey, de hoofdstad van Niger. Hij heeft een vrouw en vijf kinderen, een huis, een auto, hij heeft twee mensen in dienst voor het huishouden. In februari 2001 ging hij op bezoek bij zijn zus in Parijs. Hij hoorde hoeveel geld hij kon verdienen als hij bleef. Een neef van een vriend van zijn zus, uit Kameroen, woonde in Nederland en wilde hem helpen bij het vinden van werk. Nu maakt hij kantoren schoon in Amsterdam en Diemen.

's Ochtends van zes tot negen, 's middags van één tot vier, en van vijf tot negen 's avonds. Hij verdient nu zo'n 1.200 euro netto per maand. 'Dat is meer dan een minister in mijn land.'

Toch zou hij liever teruggaan. Er zijn soms mensen die zijn kar met schoonmaakspullen opzij duwen, als hij in een wc aan het werk is. En als hij 's ochtends om half zes op de metro staat te wachten en alleen zwarten op het perron ziet, denkt hij: wij gaan het vuil opruimen van de witten. Maar zijn vrouw in Niger vindt dat hij moet blijven. 'We hebben vaak ruzie aan de telefoon. Zij zegt: je maakt jezelf belachelijk, als je niet met veel geld terugkomt.'

De Marokkaan Omar Adli (52) kan niet werken, vindt hij zelf. De keuringsartsen dachten daar anders over, maar pas nadat hij twintig jaar een wao-uitkering had gehad. Hij was met zijn vrouw en kinderen in 1982 teruggegaan naar Marokko. Nu huurt hij een kamer boven een Marokkaanse slagerij in Leiden. Er staat een bed, een televisie, een kookplaatje. Het ruikt er naar bedorven vlees.

Omar Adli is een lange, stevige man met glad gekamd haar, een baardje en een bril. Hij huilt vaak als hij zijn verhaal vertelt. In 1971 werd hij met tweehonderd andere Marokkanen geselecteerd voor werk in Brabantse bedrijven. Adli was productiemedewerker in een munitiefabriek in Den Bosch. Daarna werkte hij in de perserij van een metaalbedrijf in Boxtel. Adli zegt dat hij 'van de zenuwen' heel snel werkte. 'Ik wilde het zo goed mogelijk doen.' Hij sliep slecht, en op een dag viel hij flauw. Adli werd inpakker. Hij tilde de hele dag dozen. Hij had artrose, zei de arts die hem onderzocht omdat hij pijn in zijn heupen en benen kreeg. Warmte zou goed voor hem zijn. Waarom ging hij niet terug naar Marokko? Zijn wao-uitkering kon hij houden.

In Marokko had hij een rustig leven. Hij hoorde over Marokkaanse kinderen in Brabant die crimineel waren geworden en hij was blij dat zijn kinderen daar niet bij waren. In de jaren '90 kwamen er nieuwe regels voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid en Adli moest op zoek naar 'passende werkzaamheden'. Die zijn er niet in Marokko, zegt hij. Hij kwam in 1998 naar Nederland om bezwaar te maken tegen die beslissing.

Vorig jaar probeerde hij een verblijfsvergunning te krijgen. Zijn psychiater schreef dat Adli leed aan ernstige depressie en paniekstoornis. Adli zou nog minstens vijf jaar bij hem onder behandeling moeten blijven, 'aangezien hij moet komen tot psychologische verwerking van het hem aangedane onrecht'.

Omar Adli gaat iedere drie maanden naar zijn psychiater voor een recept voor anti-depressiva. Hij praat af en toe met zijn advocaat, of met een medewerker van de radicaal-linkse organisatie De Fabel van de Illegaal in Leiden die illegalen ondersteunt. Soms gaat hij zwemmen. Zijn fysiotherapeut zegt dat dat goed voor hem is. Hij kijkt televisie, leest de koran, 's middags zit hij in een koffiehuis. Geld krijgt hij van vrienden, de moskee, of van de kerk.

Lasser met sofinummer

Ook Mahmoud (50) werkt niet meer. Hij was lasser, maar in Marokko kon hij geen vaste baan vinden. Elf jaar geleden kwam hij naar Nederland met een toeristenvisum. Hij was een van de laatste illegalen met een sofinummer. In 1999 had hij legaal kunnen worden. Na hongerstakingen van zogenoemde 'witte illegalen' had Job Cohen, toen nog staatssecretaris van Justitie, voorgesteld illegalen die jarenlang belasting hadden betaald en waren 'ingeburgerd', te legaliseren. Zo'n tweeduizend mensen maakten gebruik van die speciale regeling. Zij kregen een verblijfsvergunning. Maar Mahmoud durfde zich niet te melden. Hij was bang dat hij zou worden teruggestuurd. 'Door mijn ziekte', zegt Mahmoud, 'heb ik weinig vertrouwen in mensen.' Hij zit met zijn jas aan bij de verwarming in het kantoor van de Fabel van de Illegaal. Hij praat zacht. 'Tegen collega's uit Marokko zei ik dat ik in de zomer naar Marokko ging. Maar ik ging niet. Als ze dat hadden geweten, hadden ze gedacht: Mahmoud heeft een probleem. Iedereen gaat in de zomer naar Marokko.' Hij wilde niet, dat ze wisten dat hij illegaal was. 'Dan vragen ze of ze geld van je kunnen lenen. Als je nee zegt, zeggen ze: ik ga naar de politie.'

Hij was sorteerder in een wasserette en lasser bij bedrijven in Alkmaar, Groningen en op Schiphol. De laatste jaren werkte hij bij een tuinbouwbedrijf. In februari 2000 moest hij pijpen verleggen bij een plafond. Hij laste boven zijn hoofd, een druppel heet ijzer viel in zijn linkeroor. Hij werd doof aan dat oor en hij denkt dat hij ook een hersenbeschadiging heeft opgelopen. Na dat ongeluk was hij vaak duizelig, hij werd depressief. Zijn baan raakte hij kwijt, en later ook zijn huis. De Marokkaan bij wie hij een kamer had, wilde niet dat hij bleef. Mahmoud begreep dat wel. 'Ik waste mezelf niet, ik sliep niet, ik at niet.' Hij liep met zijn spullen over straat, soms rustte hij uit in een bushalte of op het centraal station. Twee keer werd hij voor lange tijd opgenomen in een kliniek. Volgens artsen was hij paranoïde, hij hoorde stemmen. In zijn dossier stond: 'Dat hij zichzelf niets aandoet, is alleen omdat hij dan in de hel zou komen volgens zijn religie.'

De Fabel van de Illegaal hielp Mahmoud bij de aanvraag van een 'inkomensvoorziening vreemdelingen zonder verblijfsstatus', een uitkering van de gemeente Leiden. Die heeft hij sinds afgelopen zomer. Hij heeft nu ook een kamer in een huis van een stichting voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Die woonruimte is niet voor hem bedoeld en hij zal er niet lang kunnen blijven. Ook de uitkering is tijdelijk. Maar Mahmoud zegt dat hij in Nederland blijft, ook als hij weer op straat moet leven zonder geld. Nee, hij denkt niet dat hij dan beter in Marokko kan zijn, bij zijn vrouw en drie kinderen. Zijn kinderen zullen zich schamen voor hun gekke vader. 'En de mensen gaan zeggen: heeft Mahmoud geen geld? Dan is hij een luie man geweest.'

Mahmoud probeert nu met hulp van een letselschadeadvocaat geld te krijgen van de eigenaar van het tuinbouwbedrijf. Hij zegt dat hij zijn baas er vaak op heeft gewezen dat er geen goede spullen waren voor grote lasklussen. Mahmoud had bijvoorbeeld geen kap. Maar de baas deed alsof hij hem niet hoorde. 'Hij wist dat ik geen papieren had en zijn buurman was politieman. Als hij over die papieren begon, wist ik dat ik harder moest werken.'

De eigenaar van het tuinbouwbedrijf is een Nederlander. In verhalen van anderen zijn het bijna altijd immigranten die misbruik maken van de kwetsbare positie van illegalen. Vaak zijn ze van dezelfde bevolkingsgroep of komen ze uit dezelfde regio, en bijna altijd zijn ze zelf wel legaal.

Na zijn aankomst op Schiphol was er een Chinese man naar Ming toe gekomen. Hij kwam uit de stad Wenzhou in het oosten van China. Hij zei dat hij Ming voor 500 dollar kon helpen aan onderdak voor de eerste dagen, hij zou ook helpen zoeken naar werk. Ming had na twee dagen de baan in de supermarkt. Hij weet dat hij in een Chinees restaurant driehonderd euro per maand meer kan verdienen. Hij heeft dat ook geprobeerd. 'Maar ik werd daar als een beest behandeld.'

Ming vindt de angst voor de politie niet de grootste kwelling. 'De echte druk komt van andere Chinezen. We zijn allemaal gekomen om het beter te hebben, we zouden voor elkaar moeten zorgen. Maar de onderlinge verhoudingen zijn koud, vol jaloezie en iedereen denkt volgens de geografische scheidslijnen in China.' De restaurant-eigenaren komen vaak uit Hongkong, ze zijn legaal en spreken Kantonees. De Chinezen die bij hen werken, zijn meestal niet legaal, ze komen van het vasteland en spreken Mandarijn. Een kok die een verblijfsvergunning heeft, verdient zestien- of zeventienhonderd euro per maand. Een kok zonder verblijfsvergunning krijgt tussen de vijf- en de zevenhonderd euro. Ming: 'Maar ook mensen uit mijn eigen stad, die in dezelfde positie zitten als ik, zullen mij nooit helpen.'

In het boek De ongekende stad, inbedding en uitsluiting van illegale vreemdelingen schreven onderzoekers van de Erasmus Universiteit in 1999 dat legale migranten in de Amsterdamse Bijlmer hun eigen familieleden vaak nog wel voor niks hielpen aan onderdak of werk. Maar als het geen familie was, moest er betaald worden. 'Als een Nederlander zegt: jij krijgt vijf euro per uur, dan krijg je dat', zegt Emmanuel Frimpong (36) uit Ghana. 'Ik heb ook nooit gehoord dat een Nederlander dreigde dat hij naar de politie zou gaan. Alleen buitenlanders met een Nederlands paspoort doen dat.'

Emmanuel Frimpong is klein en stevig, hij heeft een rond gezicht, hij lacht vaak. In 1992 kwam hij naar Nederland. Hij werkte als bedrijfsleider in een slagerij van een Hindoestaan in de Bijlmer. De man beloofde hem een verblijfsvergunning, een bmw en een appartement. 'Die auto en dat huis interesseerden me niet', zegt Frimpong. 'Die papieren wel.' Van maandag tot en met zaterdag stond Frimpong in de winkel, op zondag werkte hij in de tuin van zijn baas of hielp hij hem met klussen in huis. De man gaf hem zakgeld en hij betaalde de huur van Frimpongs kamer.

In Ghana had Frimpong literatuurgeschiedenis gestudeerd. Hij was in Nederland op bezoek bij zijn zus, hij had een beurs aangevraagd om in de Verenigde Staten verder te studeren. Maar op de Amerikaanse ambassade in Den Haag zeiden ze dat het maanden zou duren voordat hij die beurs kreeg. Hij werkte toen al in de slagerij, zijn toeristenvisum was bijna verlopen en hij vertrouwde erop dat hij een Nederlands paspoort zou krijgen. Dan kon hij later nog wel naar Amerika.

Frimpong zegt dat hij in de slagerij veel klanten had. 'Ik kan goed met mensen omgaan. Ze vonden mij leuk.' Zijn baas had gezegd dat Frimpong zou delen in de winst die de slagerij maakte. Een jaar lang had hij een verblijfsvergunning, omdat de winkel officieel onder zijn beheer stond, hij had ook een sofinummer. Maar geld kreeg hij niet. In de winter van 1996 had hij er genoeg van. Hij deed de winkel op slot en hield de opbrengst van die week. In een rechtszaak klaagde hij zijn baas aan wegens uitbuiting, zijn baas beschuldigde hem van diefstal. 'Maar de rechter geloofde mij', zegt Frimpong. 'Hij was woedend, toen hij hoorde hoe ik was behandeld. Hij zei dat hij mij als illegaal het land uit zou moeten zetten, maar dat hij dat in dit geval niet zou doen.' De advocaat van zijn baas bood aan Frimpong te betalen. De zaak zou worden geschikt.

Hij werkte nog anderhalf jaar in de winkel, maar hij kreeg geen geld. Zijn advocaat dacht dat Frimpong legaal zou kunnen worden, omdat hij een sofinummer had gehad. En als dat lukte, zei de advocaat volgens Frimpong, zou hij zijn geld wel krijgen. Hij zou recht hebben op zo'n 270.000 euro. Dat mislukte, en Frimpong wilde niet langer wachten. Hij werkte in de bouw of op de markt, maar verdiende weinig. En soms had hij wekenlang geen werk, hij moest eten en geld vragen aan zijn zus.

'Mijn leven gaat voorbij', zei Frimpong half november vorig jaar. 'Het heeft al te lang geduurd.' Twee weken later ging hij terug naar Ghana. Hij wil scenarioschrijver worden.

Folderen in het donker

Iedere ochtend om zeven uur worden Abdel (26) en Désiré (29) uit Benin opgehaald bij hun flat in de Bijlmer. Met drie andere illegalen worden ze in een busje naar Tilburg, Diemen, Twello of Franeker gebracht. Ze brengen folders en huis-aan-huisbladen rond. Om half negen 's avonds zijn ze thuis. Ze verdienen 25 euro per dag. Ze hebben ontdekt dat hun baas, een man uit Ghana die de bezorgers en het vervoer regelt, voor tien mensen betaald krijgt.

Abdel kan nog wel af en toe geld sturen naar zijn familie. Hij huurt een kamer voor 90 euro in de maand. 'Een geschenk van God dat ik Wim heb ontmoet', zegt hij over zijn huisbaas. 'Ik had me weleens afgevraagd of witte mensen van zwarten kunnen houden. Maar toen ik ziek was, zorgde hij voor me alsof hij mijn vader was.' Désiré houdt geen geld over. Hij betaalt 200 euro voor een kamer die hij deelt met een andere illegaal, in de flat van een Ghanese vrouw.

Het salaris van Jean uit Niger werd bijna een jaar lang op een rekening in Parijs gestort. De rekening was van een vriend van zijn zus, een man uit Kameroen met de Franse nationaliteit. De man was voor Jean naar Nederland gekomen om een werkvergunning en een sofinummer aan te vragen. Hij schreef zich in bij een uitzendbureau en ging terug naar Parijs. Jean gebruikte de naam van deze man, zijn werkvergunning en zijn sofinummer. Hij werkte op Schiphol, in een hotel, en nu is hij in dienst van een schoonmaakbedrijf. Jean kreeg de salarisstrookjes, hij wist precies hoeveel geld hij had gespaard. De vriend van zijn zus was een keer in Nederland om zijn werkvergunning te verlengen. 'Hij gaf mij 400 euro en zei: dit is jouw geld. Ik was kwaad, maar mijn zus zei door de telefoon: vergeet dat geld, alsjeblieft. Ik denk dat hij haar minnaar is.' Nu komt zijn salaris op de rekening van Wim, de huisbaas van Abdel uit Benin.

Ramen zemen

Ook als illegalen vriendelijke werkgevers, eerlijke huisbazen en echte vrienden hebben, kunnen ze het soms zwaar hebben. Juana (19) uit Peru had twee weken pijn in haar schouder. Ze had buiten ramen gezeemd en het trapje waarop ze stond was niet hoog genoeg, het water van de spons was in de mouw van haar trui gedropen, tot haar nek was ze nat. Juana maakt iedere dag twee huizen schoon, 's middags past ze op de kinderen van de tante bij wie ze in huis woont, en in het weekend maakt ze het huis van haar tante schoon. Haar tante is lief, zegt ze. Toen ze veel pijn had, had haar tante op een zondag een video voor haar gehuurd. Juana moest op de bank liggen en uitrusten. De volgende dag was Juana weer aan het werk gegaan. Ze had haar zus in Peru aan de telefoon gehad. Die is zeventien, ze vroeg of Juana haar studie wilde betalen.

Fredy (26) uit Colombia verkoopt bloemen op een markt in Noord-Holland. Vier dagen per week, van 's ochtends half acht tot 's avonds acht, en vaak ook op zaterdag. Hij verdient 80 euro per dag. Op een avond kon hij opeens niet meer lopen van de pijn in zijn rug. Die dag had hij kratten getild met porseleinen klompjes met tulpen. Hij belde een Nederlandse vriend die hem met zijn auto naar huis bracht. Een week lang lag hij in bed in de flat die hij in onderhuur heeft. Zijn tante zorgde voor hem. Maar toen hij weer kon lopen, ging hij aan het werk. Zijn baas heeft gezegd dat hij zoveel mogelijk moet zitten en niet mag tillen. Hij zei niet dat hij hem ook zal betalen als Fredy nog een paar dagen thuis blijft.

De Latijns-Amerikanen zijn volgens onderzoekers een nieuwe groep illegalen. Ze gaan vooral naar Amsterdam, ze werken meestal bij mensen thuis, en het zijn vaak vrouwen. Ze komen bijna altijd met een toeristenvisum naar Nederland, op uitnodiging van familie of vrienden. Die helpen hen aan werk. Of ze hangen zelf briefjes op bij supermarkten. Juana woont nu bijna twee jaar bij haar tante, een zus van haar vader. Juana's vader werkt in de bouw. Afgelopen zomer zat hij maanden zonder werk. Haar ouders, broers en zussen leefden van het geld dat Juana stuurde. Juana heeft in Peru haar middelbare school niet afgemaakt. Daar heeft ze nu spijt van. Maar ze weet niet of het veel had uitgemaakt als ze wel een diploma had gehaald. Haar broer studeerde Engels en elektrotechniek, met geld van zijn tante in Nederland. Maar hij kon geen werk vinden. Sinds november vorig jaar is hij ook in Amsterdam om huizen schoon te maken.

Fredy had in Colombia een opleiding tot grafisch vormgever gevolgd. Na zijn eindexamen, vijf jaar geleden, was hij met vakantie bij zijn tante in Amsterdam. Hij zou na die vakantie met vrienden van school in Bogotá een bedrijf beginnen. Maar zijn tante had een baan voor hem gevonden bij een bloemenhandel in Aalsmeer. Hij vond het prettig in Amsterdam. 'Ik belde mijn vrienden in Bogotá. Ze brachten pizza's rond of ze hadden soms een paar dagen werk in de bouw. Ze zeiden: jij hebt geluk dat je weg bent.'

Amsterdams accent

Fredy praat Nederlands met een Amsterdams accent. Hij vindt dat hij in vijf jaar 'half Nederlands' is geworden. 'Ik voel me thuis. Ik snap hoe Nederlanders denken.' Alleen de mannen snapt hij soms niet. Die vinden het zomaar goed dat hij met hun vriendin naar de film gaat. 'Wij zijn veel jaloerser.' Juana dacht dat Nederlanders arrogant waren. Ze wist dat ze lang, wit en rijk waren, net als bewoners van de wijken Miraflores en San Borja in Lima. En die kijken, zegt ze, neer op bewoners van andere buurten. De Nederlanders vielen haar mee. Op haar verjaardag krijgt ze cadeaus van haar werkgevers, ze hoeft nooit langer te werken dan is afgesproken. Het eten in Nederland vindt ze wel vies, en Nederlandse artsen noemt ze 'primitief'. Toen ze blaasontsteking had, gaf een huisarts haar antibiotica voor een paar dagen. 'Daarna was het niet over. In Peru krijgen we in zo'n geval maandenlang medicijnen.' Maar ze heeft het naar haar zin in Neder- land, zegt ze. 'Ik verdien geld, ik kan dingen voor mezelf kopen, ik help mijn familie.'

Een vriendin van Juana, Andrea (22) uit Chili, kwam twee jaar geleden als au pair in Amsterdam. Daarna was ze twee weken terug bij haar ouders, maar ze kon niet wennen aan het leven in een dorp. 'Er was geen winkel, geen kapper.' Ze werkt nu ook als schoonmaakster in Amsterdam. In het weekend ging ze meestal met vriendinnen naar het Leidseplein. Nu heeft ze een vriend, een student uit Groningen die ze in een café op het Leidseplein heeft ontmoet. In het weekend is ze bij hem. Juana zegt dat ze geen tijd en geen geld heeft voor een vriend. 'Als we uitgaan, zou ik steeds de helft willen betalen.' Er was een Nederlander die wilde dat ze zijn vriendin werd. Maar ze vond hem niet ambitieus genoeg. Hij is 26 en werkt als sorteerder bij de ptt. 'Hij heeft alle mogelijkheden, maar hij wil niets anders.'

Fredy zegt dat hij het liefst met Nederlanders omgaat. 'Latijns-Amerikanen hebben een slechte naam. Vooral Colombianen. En ik wil geen enkel risico lopen.' Met Marokkanen wil hij helemaal niets te maken hebben. Hij denkt, net als Juana en Andrea, dat Nederlanders vooral zo streng zijn tegen illegalen door hún gedrag. 'Ik zie soms dat ze aan het zakkenrollen zijn', zegt Fredy. Juana vindt dat Marokkanen er agressief uitzien. 'In de tram, op straat. Ze willen altijd vechten. Maar mijn tante zegt, dat ik racistisch ben over Marokkanen.'

Afrikanen uit de Bijlmer gaan liever niet met Nederlanders om, zegt Emmanuel Frimpong uit Ghana. 'Ze maken elkaar bang. Ze zeggen dat Nederlanders naar de politie gaan, als ze horen dat je illegaal bent.' Abdel en Désiré uit Benin kennen alleen Wim, de huisbaas van Abdel. Abdel denkt dat de meeste Nederlanders een afkeer hebben van zwarten. Hij zegt dat mensen soms folders uit hun brievenbus duwen als ze zien dat híj die erin gedaan heeft. 'Maar wij doen werk dat ze zélf niet willen doen. Ik zie nooit een witte die folders rondbrengt.' Désiré vindt dat Afrikanen het er zelf naar hebben gemaakt. Hij bedoelt de Afrikanen die er al twintig of dertig jaar zijn en een verblijfsvergunning hebben. 'Zij hebben een slechte reputatie opgebouwd. Ze verkopen drugs en valse papieren, ze plegen overvallen.'

In een appartement in het centrum van Amsterdam wonen acht illegale Chinese koks. Ze slapen in stapelbedden, ze betalen 120 euro per maand. De gordijnen zijn ook overdag gesloten. Als buren vragen wie die mensen zijn op de trap, zegt de hoofdhuurder - uit Hongkong - dat hij vrienden op bezoek heeft. De onderhuurders mogen zelf geen bezoek ontvangen, ze moeten stil zijn.

Straatnaamborden kunnen ze niet lezen. Als ze elkaar uitleggen waar iets is, gebruiken ze tramlijnen en restaurants. Ze zeggen bijvoorbeeld: 'Neem tram 4 vanaf het station. Als je langs New Chinatown komt, druk je op het knopje. Je loopt terug naar het restaurant, dan ga je links tot de Wah Lai club. Dan wéér links en daar wacht ik op je.' De koks werken tot elf uur 's avonds. Daarna gaan ze meestal naar het casino. Alleen daar komen ze weleens Nederlanders tegen.

Ming, de nachtclubzanger, is anders. Hij heeft Nederlandse en Marokkaanse vrienden. Op zaterdagavond gaan ze naar homocafés bij het Rembrandtplein. Ming zegt dat hij nog niet weet of hij homo is. Hij denkt er nu wel over na of hij zal trouwen met een Nederlandse man, om legaal te worden. Maar misschien wil hij over een paar jaar ook wel terug naar China.

De meeste Chinezen, zeggen de Chinezen zelf, willen dat graag. Ze zijn niet gekomen om te blijven. Ze komen voor het geld. Onderzoekers van de Erasmus Universiteit schreven in september vorig jaar dat veel van hún respondenten - 156 illegalen uit Turkije, Marokko, China, ex-Joegoslavië, de vroegere Sovjet-Unie, Iran, Sri Lanka en Somalië - nog niet erg lang in Nederland waren: een derde was er zelfs korter dan een jaar. Dat was nieuw. Uit eerdere onderzoeken bleek dat de meeste illegalen, 75 tot 80 procent, op z'n minst drie jaar in Nederland bleven. In de nieuwste studie staat ook dat uitgeprocedeerde asielzoekers vaak korter in Nederland blijven dan illegalen die om niet-politieke redenen zijn gekomen. Maar de onderzoekers durven die uitkomsten niet representatief te noemen voor 'de' illegalen, omdat het zo'n gemengde groep is.

De Colombiaanse Fredy kreeg een aanbod van een Nederlandse vrouw. Voor 15.000 gulden wilde ze met hem trouwen. Fredy vond dat te veel. De twee mannen uit Benin willen alleen terug als ze veel geld hebben. Zonder geld zijn ze mislukt. De Marokkaan Omar Adli zegt dat hij alleen teruggaat als hij weer een wao-uitkering krijgt. 'In Marokko zeggen ze: Nederland moet voor jou zorgen. Dáár heb jij je lichaam kapotgemaakt.'

Andrea uit Chili wil wel terug. Ze kan er niet aan wennen dat ze illegaal is. In september wil ze terug om een horeca-opleiding te doen, ze denkt dat ze dan bijna 5.000 euro heeft gespaard. Haar vriendinnen begrijpen dat niet. Ze heeft een Nederlandse vriend. Dan ga je toch niet terug? Maar Andrea is bang. Een vriendin van haar uit Colombia werd aangehouden voor zwartrijden in de tram. Ze zat vier dagen vast en werd teruggestuurd. Ze zegt dat ze zelf nooit zwart rijdt. Ook andere illegalen zeggen dat. Ze hebben licht op hun fiets. Ze stoppen voor een rood stoplicht. Ze betalen de rekening van hun telefoon op tijd. Jean uit Niger hoorde kort na zijn aankomst in de Bijlmer van een landgenoot waar hij op moest letten: betaal in de metro, vermijd drugs, neem nooit een mes mee, maak met niemand ruzie.

Spreekuur

Iedere dinsdagmiddag houdt de Internationale Organisatie voor Migratie (iom) spreekuur in een kantoor in Amsterdam. De intergouvernementele organisatie regelt de vrijwillige terugkeer van asielzoekers en illegalen. Ieder jaar maken zo'n twee- tot drieduizend mensen er gebruik van. Ze krijgen een vliegticket en wat geld. 'De helft van onze doelgroep in de grote steden is illegaal', zegt districtsmedewerker Hans van Rhee. Er zijn steeds meer mensen die weg willen. In de eerste acht maanden van 2002 lag het aantal dat is vertrokken al 30 procent hoger dan het jaar daarvoor. Van Rhee denkt dat dat te maken heeft met de strengere uitvoering van de nieuwe Vreemdelingenwet. Uitgeprocedeerde asielzoekers worden sneller op straat gezet. En de laatste maanden komen er op zijn spreekuur ook veel Bulgaren en Roemenen, van wie een aantal slachtoffer is van mensenhandel. 'Vooral in de zomer had ik het gevoel dat we ermee werden overspoeld.'

Op een dinsdagmiddag in het najaar zitten in de wachtkamer uitgeprocedeerde Koerden en Bosniërs, twee Roemeense vrouwen die aan hun pooier zijn ontsnapt, een zieke Angolees, een muzikant uit Ecuador, de Ghanese Emmanuel Frimpong en de Tsjechische Irena (28) en haar vriend Marian (27). Irena en Marian zijn mager en bleek. Irena's ogen zijn blauw en opgezwollen. Ze vertellen in het Duits dat ze zijn mishandeld en beroofd door een Joegoslaaf. Ze hebben een kopie bij zich van de aangifte die ze hebben gedaan bij de politie. Irena werkte op de tippelzone aan de Theemsweg in Amsterdam-West. Ze sliepen in het huis van de Joegoslaaf. Vier dagen geleden kwam hij aan het begin van de avond thuis, hij had gedronken. Hij probeerde Irena te verkrachten, hij sloeg haar in haar gezicht en trapte tussen haar benen. Marian zegt dat de man hem ook sloeg en bedreigde met een mes. Irena en Marian ontsnapten, hun spullen waren ze kwijt. Ze hebben geen geld en geen slaapplaats meer, ze willen terug naar Tsjechië.

Als Irena en Marian minder dan drie maanden in Nederland zijn, zijn ze officieel nog niet illegaal en het iom is er niet om toeristen die hun geld kwijt zijn aan een retourticket te helpen. Volgens Marian zijn ze er vanaf het begin van de zomer. Van Rhee regelt een vliegticket voor een week later en hij belt het Leger des Heils voor een slaapplaats.

's Avonds eten ze nasi in de crisisopvang van het Leger des Heils aan de Sixhaven in Amsterdam-Noord. Irene heeft de blauwe plekken bij haar ogen bedekt met een dikke laag make up. Ze vertelt dat ze drie kinderen heeft met Marian, en een vierde kind van een andere man. Marian is zigeuner. Daarom kan hij volgens Irena in Tsjechië geen werk krijgen. 'Tsjechen zijn racisten.' Ze wonen in Tsjechië allebei nog bij hun eigen ouders, hun kinderen zijn bij de ouders van Irena. Irena zegt dat ze naar Nederland kwamen om geld te verdienen voor een eigen flat. Ze had van een vriendin gehoord dat ze aan de Theemsweg in één nacht 250 euro kon verdienen. Irena: 'Maar dat is als je tien klanten hebt op een avond. Er waren zoveel meisjes dat ik soms maar één klant had.' De klanten waren vriendelijk, zegt ze. 'Het waren Turken, Marokkanen, en soms Nederlanders.' Ze brachten haar om drie uur, als de tippelzone dichtgaat, met hun auto naar huis. Ze zegt dat ze nu niet meer naar de Theemsweg durft te gaan, ze hoorde dat de Joegoslaaf daar rondrijdt en zegt dat hij Irena zal vermoorden. Ze lacht nerveus, ze rilt, en dan huilt ze bijna. 'Ik kan niet werken. We kunnen geen cadeaus meenemen voor de kinderen.'

Irena en Marian slapen zes nachten bij het Leger des Heils. In de laatste nacht, één dag voor hun vertrek, ontdekt een medewerker van het opvanghuis dat Marian cocaïne gebruikt in de wc. Hij moet weg, Irena gaat mee. Medewerkers van hvo-Querido, de organisatie die op de tippelzone een 'huiskamer' beheert voor de prostituees, zeggen dat Irena ook die laatste dagen werkte. Ze zei wel vaak dat ze bang was.

Rode condooms

Op de bar van de huiskamer op de tippelzone liggen condooms in rode en groene verpakking. De rode zijn gewone, de groene extra sterke. Ze kosten 25 cent per stuk. Onder de bar liggen kopieën van de huisregels. In het Bulgaars, Albanees, Russisch en Roemeens. Bij de deur zit een groepje Latijns-Amerikaanse transseksuelen. Aan andere tafels zitten de Oost-Europeanen. Volgens de medewerkers van de huiskamer zijn de meeste vrouwen illegaal. 'Klanten', zeggen ze, 'weten dat. Die proberen er meer uit te halen voor minder geld. En het is hier al goedkoop. Op andere tippelzones betaal je 25 euro voor neuken en 25 euro voor pijpen. Hier is het 25 voor neuken én pijpen.'

De zone is ingericht voor tachtig vrouwen. Afgelopen zomer kwamen er soms honderddertig. Een paar jaar geleden waren het vooral Latijns-Amerikanen en een paar Nederlandse verslaafden. Nu komt tweederde van de vrouwen uit Oost-Europa. De medewerkers van de huiskamer horen van vrouwen dat die, door de afschaffing van het bordeelverbod in 2000, denken dat prostitutie in Nederland nu een 'vrij beroep' is. Er was ook nog de uitspraak van het Europese Hof van Justitie in 2001 dat prostituees uit Oost-Europa zich als zelfstandig ondernemer in Nederland mogen vestigen. Ze weten niet dat ze dan aan allerlei voorwaarden moeten voldoen, en van hun pooiers zullen ze dat niet horen.

In september vorig jaar was er een politieactie op de tippelzone, bijna honderd vrouwen werden gearresteerd. De meesten werden teruggestuurd, omdat ze illegaal waren. De avond na die actie waren er maar vijftien vrouwen. In het najaar nam het aantal weer snel toe. 'Het gekke is', zegt Joost, een van de medewerkers, 'dat er nu veel meer Bulgaarse vrouwen komen dan vóór de razzia.'

De medewerkers van de huiskamer denken dat de meeste prostituees slachtoffer zijn van mensenhandel. Soms zijn er vrouwen die willen ontsnappen. Medewerkers helpen bij de aangifte en zoeken een slaapplaats voor de vrouwen. Ze kunnen bijna altijd terecht bij de zusters Augustinessen of het Leger des Heils. 'Andere organisaties hebben de neiging om te denken: Nederlandse meisjes eerst', zegt Kersten, teamleider van de huiskamer. 'Voor illegalen krijgen ze geen geld.'

Bootbewoners

Aan de rand van Amsterdam, in een boot in een gracht, slaapt Ahmed (24) uit Algerije. De boot is van een oudere, Nederlandse vrouw die er geen bezwaar tegen heeft dat hij er woont. Ahmed kwam vijf jaar geleden met een vrachtschip naar Nederland, hij had zich verstopt in de laadruimte. Hij zat drieëneenhalf jaar in een asielzoekerscentrum maar zijn asielverzoek werd afgewezen. Hij heeft geen werk. Aan dezelfde gracht, ook in boten, wonen illegalen uit Egypte en Marokko. De mannen zitten vaak bij elkaar in de moskee en ze klagen. Het is makkelijk om drugs te verkopen in Nederland, zeggen ze, maar een fatsoenlijke baan is er niet voor hen. Ahmed zegt dat ze allemaal weg willen: 'We hebben het er vaak over dat we maar naar Tsjetsjenië moeten om te vechten. Dan sterven we als martelaren.'

Onder de brug bij het Amsterdamse Scheepvaartmuseum slapen aan twee kanten daklozen. De Nederlanders hebben hun dekens en plastic tassen aan de kant van het museum. De buitenlandse, illegale daklozen aan de kant van de Prins Hendrikkade. De soepbus van het Leger des Heils komt aan beide kanten.

Harry Doef, projectleider crisisopvang van het Leger des Heils, zegt dat Nederlandse daklozen klagen. Ze vinden dat zij meer recht hebben op eten en op slaapplaatsen. Doef noemt dat 'onderbuikgevoelens' waar hij geen rekening mee wil houden. Maar dat wil niet zeggen dat illegalen net zo makkelijk een slaapplaats krijgen als de Amsterdamse daklozen. In de wet staat dat het Amsterdamse Leger des Heils moet zorgen voor daklozen in Amsterdam, en niet voor die uit Utrecht of Senegal. 'Maar als iemand ziek is of uitgeput', zegt Harry Doef, 'laten we die niet op straat liggen.'

Makkelijk is het niet voor de hulpverleners. Er zijn steeds meer buitenlandse daklozen in de stad. Harry Doef: 'Die groep is nu al groter dan onze eigen doelgroep.' Nederlandse daklozen zijn vaak verslaafd of ze hebben psychiatrische problemen. Illegalen hebben vooral gebrek aan geld. 'In de opvang hebben we met hen de minste problemen. Ze zijn beleefd en ze zijn snel tevreden, omdat ze niks hebben. Ze zitten aan tafel, ze spelen een spelletje. En ze zijn altijd bereid mee te helpen met opruimen en met de afwas.' Maar het Leger des Heils, zegt hij, selecteert hulpbehoevenden natuurlijk niet op hun rustige, vriendelijke gedrag. De organisatie heeft een 'verdeelsleutel' bedacht voor de opvang van illegalen. Doef wil niet zeggen hoe die verdeling is. 'Maar voor mensen uit Utrecht en voor illegalen zitten we snel vol.' Dat kan niet anders, zegt hij. 'Je moet een balans vinden. We hebben weleens negen of tien Afrikanen gehad die Frans met elkaar zaten te praten. Anderen gaan zich daaraan ergeren. Maar je moet ook geen tien schizofrenen in huis hebben, of tien gebruikers.' M

Petra de Koning en Maarten Huygen zijn redacteuren van NRC Handelsblad.

Justin Jin is freelance fotojournalist.

[streamers]

Als Jean 's ochtends op de metro staat te wachten en alleen maar zwarten ziet, denkt hij: wij gaan het vuil opruimen van de witten.

'Ik had me weleens afgevraagd of witte mensen van zwarten kunnen houden. Maar toen ik ziek was zorgde mijn huisbaas voor me alsof hij mijn vader was.'

De Nederlanders vielen Juana mee. Op haar verjaardag krijgt ze cadeaus, ze hoeft nooit langer te werken dan is afgesproken.

Illegalen hebben licht op hun fiets. Ze stoppen voor een rood stoplicht. Ze betalen de telefoonrekening op tijd.