Watersnood is vergeten ramp

Het valt te hopen dat de herdenking van de watersnoodramp, vandaag 50 jaar geleden, ertoe bijdraagt dat deze ramp haar legitieme plaats krijgt in het collectieve geheugen van de Nederlandse bevolking, betogen Uri Rosenthal en G. Saeijs.

Veel beschouwingen over de watersnoodramp van februari 1953 wekken de indruk dat de ramp steeds in het middelpunt van de belangstelling heeft gestaan. In het NOS-journaal van woensdagavond 29 januari leidde Philip Freriks een item in met de mededeling dat twee gebeurtenissen in het collectieve geheugen van de Nederlandse bevolking gegrift staan: de oorlog en de watersnoodramp. Freriks voegde er met de nodige nadruk aan toe dat de watersnood van 1953 voor ons allen steeds kortweg `de ramp' is geweest. De ruime aandacht voor de nationale herdenking van vijftig jaar Watersnoodramp lijkt dit te bevestigen.

Laten we de mythe van een gedeelde herinnering van de Nederlandse bevolking aan de Tweede Wereldoorlog hier voor wat ze is. Maar het heeft er alle schijn van dat vijftig jaar na dato nu ook nog een collectieve mythe wordt gecreëerd van `de ramp' die vanaf februari 1953 voor alle Nederlanders steeds een ijkpunt en richtsnoer voor hun doen en laten zou zijn geweest. De werkelijkheid van de watersnoodramp is immers volstrekt anders. De ramp is eerder te typeren als de vergeten ramp. De gehele geschiedenis van de ramp – van de miskenning van de slechte toestand van de zeewering en de rampbestrijding in de eerste dagen van februari tot en met de politieke en waterstaatkundige gang van zaken na de ramp – stond in het teken van het grote vergeten.

Voor de ramp. De slechte toestand van de buiten- en binnendijken in het rampgebied was onder verschillende deskundigen al lange tijd bekend. Sinds het begin van de jaren dertig werden rapporten geschreven die niets aan duidelijkheid te wensen overlieten. Vanaf 1940 hielden ingenieurs van Rijkswaterstaat rekening met stormvloedstanden die bij de ramp in 1953 bij lange na niet gehaald werden. De media durfden een jaar voor de ramp de onwelkome boodschap van een klokkenluider niet aan; die werd pas vijfentwintig jaar later gepubliceerd.

De ramp. Hoe verklaarbaar ook, het grote vergeten is ook tijdens de ramp een bepalende factor geweest. De autoriteiten richtten zich na kennisneming van de eerste berichten vooral op de dreiging in Zuid-Holland en West-Brabant. Ze handelden naar het gezegde `Geen nieuws is goed nieuws'. De eerste sporadische berichten vanuit Zeeland werden onderschat. Schouwen-Duiveland was gedurende bijna een etmaal het vergeten eiland.

Na de ramp. De autoriteiten deden er alles aan om de situatie in het land zo spoedig mogelijk te normaliseren. Daarbij stond het voortzetten van de wederopbouw van de industriële capaciteit voorop. De regering beschouwde het als een geluk bij een ongeluk dat de ramp een agrarisch gebied had getroffen en de industriële productie niet had aangetast. De blik moest op de toekomst gericht zijn, al te veel en te lang terugblikken was uit den boze. Met uitzondering van de CPN, voelde niemand in Den Haag voor een parlementaire enquête.

In de getroffen regio's konden de meeste autoriteiten volstaan met een opsomming van wat zij zeiden gedaan te hebben. Er waren in die tijd ook geen verenigingen van slachtoffers en nabestaanden die de autoriteiten kapittelden. De fatale vraag of er minder doden zouden zijn gevallen bij een meer doeltreffend optreden van de autoriteiten en hulpverleners, werd niet gesteld. Het antwoord dat men met de toen beschikbare middelen de bevolking op verschillende plaatsen in elk geval eerder had kunnen waarschuwen en daarmee tientallen levens had kunnen redden, bleef uit.

Van een ramp naar Hollands glorie. Al aan het begin van de tweede week na het onheil verschoof de aandacht – van de rampspoed naar de grote werken die een herhaling voor eens en altijd zouden moeten voorkomen: de Deltawerken als symbool van het vaste voornemen dat dit nooit meer zou mogen gebeuren. Rationeel beschouwd manifesteert de zichtbare herinnering aan de ramp zich in de Deltawerken. Maar er is veel voor te zeggen dat de glorie van de blinkende Deltawerken de herinnering aan de ellende van de ramp voor lange tijd weggedrukt heeft.

Megaramp. De watersnoodramp heeft een zo groot aantal slachtoffers geëist dat zij in de rampengeschiedenis van ons land een geheel eigen plaats heeft gekregen. Het aantal doden bij latere rampen – de Bijlmerramp, Enschede, Volendam – stond daarmee in geen enkele verhouding. Bij die ongevallen en rampen was iedere vergelijking met de watersnoodramp dan ook buiten de orde. Daarmee raakte de watersnoodramp ook in de vaderlandse rampgeschiedenis in de vergetelheid.

Dat latere rampen nu juist volop in de belangstelling zijn gekomen en dat wij voortdurend daaraan herinnerd worden, heeft alles te maken met de veranderende context.

De watersnoodramp werd door een groot deel van de getroffenen gelaten aanvaard; eenderde van de overlevenden zag er de hand des Heeren in. Latere rampen leverden het tegendeel van gelatenheid op: de ongekende uitvergroting van het onheil.

Misschien willen we, juist omdat we die latere rampen zo groot voorstellen, de megaramp van 1953 maar het liefst vergeten.

Hopelijk draagt de nationale herdenking vijftig jaar na dato ertoe bij de ramp eindelijk haar legitieme plaats in het collectieve geheugen van de Nederlandse bevolking te geven. Daarbij is niemand gediend met een vertekend beeld van hoe ons land al die tijd met de herinnering aan de ramp is omgegaan.

Prof.dr U. Rosenthal en drs. G. Saeijs zijn voorzitter respectievelijk onderzoeker bij het COT, Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement. Zij publiceerden recentelijk `Getuige de ramp: de watersnood 1953 in crisisperspectief'.