Vossen steken beter over dan watersalamanders

Vele honderdduizenden dieren worden jaarlijks overreden. De hoeveelheid asfalt speelt hen parten, maar ook paringsdrift, jachtinstinct en domheid.

Een van de nadelen van het autorijden is het doodrijden van dieren. We spreken hier niet van de miljarden insecten die zich tegen bumpers en koplampen te pletter vliegen. Afgezien daarvan laten jaarlijks op de Nederlandse wegen vele honderdduizenden, wellicht miljoenen dieren het leven.

Minder dan 1 procent van de aanrijdingen leidt ook tot letsel bij de automobilist. Dat letsel wordt meestal veroorzaakt door overstekende reeën en wilde zwijnen, waarvoor op borden wordt gewaarschuwd, maar ook door het plotseling remmen en over de kop slaan bij het zien van overstekende dieren.

Precieze cijfers over doodgereden dieren ontbreken. Lang niet alle wegen worden geïnspecteerd en bovendien wisselt de frequentie van de inspecties van jaar tot jaar. Tijdens de inspectie, meestal vanuit de auto, worden ook lang niet alle slachtoffers gesignaleerd. Kleinere dieren worden al snel door de autobanden in het asfalt geplet, of zijn naar de berm geslingerd. Ook worden de dode dieren weggesleept door kraaien, buizerds en vossen. Onderzoeker Dick Jonkers van onderzoeksinstituut Alterra heeft jarenlang dagelijks dode dieren geteld op de rijksweg A30 tussen Ede en Barneveld. Op een traject van vijftien kilometer telde hij tweehonderd slachtoffers per jaar. ,,Behoorlijk veel'', zegt hij zelf. Veel meer in elk geval dan op andere, minder intensief gecontroleerde wegvakken. Deskundigen vermoeden dat 10 procent van de getroffen dieren daadwerkelijk wordt gesignaleerd.

De meest betrouwbare gegevens komen van de rijkswegen. Inspecteurs van de 26 dienstkringen van Rijkswaterstaat inspecteren dagelijks de toestand van de rijkswegen en wanneer zij dode dieren aantreffen, noteren zij vindplaats, soort en eventuele bijzonderheden. De Dienst Weg- en Waterbouwkunde van Rijkswaterstaat in Delft verzamelt sinds 1994 de gegevens, al houdt nog niet elke dienstkring de gegevens bij.

Op basis van negen jaar verzamelen is een toptien samen te stellen van soorten die gemiddeld het meest worden aangereden: konijn, kat, eend, duif, meeuw, egel, haas, fazant, bunzing en buizerd. ,,Het topje van de ijsberg'', zegt projectleider Annette Piepers. De verklaring voor het grote aantal konijnen is volgens haar simpel: ,,Daar zijn er veel van.'' Hoewel het aantal doodgereden konijnen de laatste jaren flink daalt door de epidemie van de konijnenziekte VHS. En katten? ,,Ook daar zijn er veel van'', zegt Piepers. ,,En ze lopen los.'' Op basis van extrapolatie maakte Rijkswaterstaat een globale schatting van het aantal op rijkswegen gedode dieren: 17.000 konijnen; 12.000 katten; 10.000 eenden; 10.000 duiven; 9.000 meeuwen; 8.000 egels; 7.000 hazen; 7.000 fazanten; 4.000 bunzingen en 2.000 buizerds.

De cijfers zijn relatief. Voor de Dierenbescherming is de toptien slechts één van de bewijzen dat er maatregelen moeten komen. De Dierenbescherming stelt dat jaarlijks gemiddeld over heel Nederland, inclusief lokale en provinciale wegen, 2,7 dieren per kilometer dood worden gevonden. Op de Afsluitdijk is dat zelfs 23,6 dieren. ,,En dat terwijl kleinere diersoorten zoals amfibieën nooit worden geteld'', aldus woordvoerder Niels Dorland.

De cijfers zeggen volgens voorzitter Jaap Dirkmaat van de Vereniging Das en Boom weinig, als je niet nagaat hoe de soort er als geheel voor staat. Dirkmaat: ,,Het gaat er niet om hoeveel dieren er worden doodgereden, maar of die aantallen de populatie ook bedreigen. Je moet geen dierenbeschermingsbril opzetten maar een soortenbeschermingsbril.'' Van een bedreigde diersoort als de das wordt jaarlijks zo'n twintig procent doodgereden. Zorgwekkend, vindt Das en Boom. Ook uilen worden relatief vaak getroffen. En de otter, die uitstierf in Nederland en vorig jaar weer is uitgezet. Maar het doodrijden van egels is ,,eigenlijk geen probleem'', zegt Dirkmaat. ,,De egel verdwijnt niet.''

Oorzaak nummer één van het grote sterven is het grote aantal wegen in Nederland, ongeveer 115.000 kilometer, en de ,,versnippering'' van leefgebieden die daarvan het gevolg is. Veel dieren moeten van een overbevolkt leefgebied op zoek naar een ,,leeg'' territorium en stuiten dan snel op een infrastructurele barrière. ,,De pakkans is groot in dit land'', formuleert Dirkmaat. Bovendien ligt op de wegen voedsel voor het oprapen, weggegooid door verkeersdeelnemers, als fauna dodelijk aangereden, of als maïs of fruit uit een omgevallen vrachtwagen gevallen. ,,De dieren worden als het ware door de weg aangetrokken'', zegt Dick Jonkers van Alterra.

De Dierenbescherming wijst ook op de nadelen van het ecologische bermbeheer door Rijkswaterstaat. Uit liefde voor de natuur wordt 50.000 hectare berm steeds vaker niet of laat gemaaid en beplant met fraaie besdragende struiken. Dat trekt dieren aan. Er zitten veel muizen in de wegbermen, weggejaagd van de agrarische ,,biljartlakens''. Uilen jagen vanaf één meter hoogte op muizen en worden bij het heen en weer vliegen tussen de bermen niet zelden aangereden.

Ook ,,soortspecifiek gedrag'' draagt bij aan de verdeling van slachtofferaantallen. De meeste slachtoffers vallen in het voorjaar en de zomer, wanneer de dieren zich voortplanten en op weg naar dat doel minder voorzichtig in het verkeer zijn. Sommigen diersoorten hebben daarbij de pech ,,oerdom'' te handelen, vertelt Dirkmaat, zoals padden, die massaal uit hun houtwallen kruipen om voor hun paring terug te keren naar de waterpartijen waar ze geboren werden, blindelings wegen overstekend.

Het oversteken gaat sommige dieren beter af dan andere. De das wacht bij wijze van spreken op een auto die het asfalt verlicht om zich dan voor de koplampen te werpen. Watersalamanders en slangen blijven liggen op lekker warm asfalt. Vossen daarentegen lijken zich terdege van de gevaren bewust. Ook eksters worden relatief weinig aangereden. En zelfs egels lijken enig benul van gevaar te hebben, aangezien ze vaak een weg in een rechte lijn trachten over te steken.

Wat kan Nederland doen om de dierensterfte tegen te gaan, behalve minder wegen aanleggen en het autoverkeer tegengaan? De Dierenbescherming pleit voor een verlaging van de maximumsnelheid op lokale en regionale wegen, zodat het dier iets meer tijd krijgt om te vluchten. Ook wil men brede en minder rijke bermen, zodat automobilist en dier elkaar beter kunnen zien.

De Vereniging Das en Boom pleit voor één netwerk van uniforme rasters, liefst twee meter hoog, en meer en beter onderhouden tunnels en ecoducten. ,,Het soortspecifiek gedrag van Rijkswaterstaat is dat hij dassentunnels niet onderhoudt.'' Rijkswaterstaat-medewerker Piepers spreekt van een ,,respectloze opmerking'' en bestrijdt dat dassentunnels die af en toe onder water staan nooit functioneren.

Belangrijk is voor Rijkswaterstaat de aanleg van rasters ,,maar alleen daar waar het nodig is en alleen als wij voldoende mankracht en deskundigheid hebben om de rasters te beheren''. En ecoducten en tunnels natuurlijk. ,,Een ecoduct is het beste, maar is ook erg duur'', zegt Piepers. Rijkswaterstaat behoort tot de mondiale ,,voorhoede'' op dit terrein en ook komen er steeds meer faunapassages bij. Toch sneuvelt er wel eens een plan, door geldgebrek.

DIERENSTERFTE

    • Arjen Schreuder