Requiem

Nooit eerder heb ik dichter bij Louis gestaan. Ik zag de tranen in zijn ogen op zijn afscheidsconferentie in Camp Nou. Mensen van boven de vijftig gaan steeds makkelijker huilen. Een kreupel vrouwtje, een blad dat averechts van de bomen dwarrelt, een scheef woord van de chef, een slap handje van moeder de vrouw, een nevel in de verte en hop, daar gaan we weer: we janken ons lot tegemoet. Verdriet in Barcelona is anders dan verdriet in de polder: het heeft een architecturale dimensie. Niet het wazige land, het gestolde monument weent. Dan slaat alles dood.

Voor het eerst in mijn leven heb ik iets van medelijden gevoeld voor de megalomane ijdeltuit Van Gaal. Voor de reddeloosheid en de redeloosheid van zijn Alleingang. Voor de weerloosheid in het pandemonium van sport en vermaak. Voor de tragedie van eentaligheid. Winnen kan je duiden in een Bargoens amalgaam, verdriet is per definitie eentalig. In Barcelona betekent dat: Catalaans. En dus zat hij daar, die maandagnacht in de catacomben van het prestigieuze stadion, met zijn mond vol tanden. Hij hakkelde en stotterde zich door zijn eigen ontluistering heen. Zonder enige grandeur, als een immigrant in zondagspak. Opeens werd de coach Louis van Gaal weer de voetballer: een houterige, proleterige, bijna potsierlijke meeloper, een dribbelaar in de mist, een gemankeerde stilist. Metafoor van de grote verwantschap: bieten en aardappelen achter het huis.

Allesbehalve een wereldburger.

Toch bleef hij volhouden dat hij de beste trainer voor FC Barcelona was. Grootspraak op het kerkhof van de niet ingeloste verwachtingen. Retoriek van een desperado die grossiert in schimmige vijandbeelden, maar niet in zelfkennis. Natuurlijk was Barcelona te hoog gegrepen voor Louis. In Camp Nou is voetbal niet minder dan cultuur, niet minder dan erfgoed en traditie, niet minder dan een sub-identiteit. Daar kom je met een simpel boerenverstand en een nagebootst charisma niet doorheen. En al helemaal niet met een dictatoriale hang naar zelfvergroting. Avenhorn en Amsterdam, ja, dat zijn de contouren voor een provinciale operettezanger. Europa draagt te veel mysterie met zich mee voor een schreeuwlelijk als Louis van Gaal. Zelfs een transatlantische sloppenbewoner als Rivaldo had dat meteen door.

Wat me nu zo tegenvalt van Louis is dat hij toch nog die afkoopsom van 4 miljoen euro wilde opstrijken. Als multmiljonair met een sporthart ga je niet een club-in-nood leegroven. Hou het dan op een groots diner met danseressen aan de tafel en een fles rum toe. Laat je desnoods nog een keer op zijn Cor van Houts per witte koets, getrokken door acht Friese hengsten, over de Ramblas rijden en ontleen je geluk aan wat wuifhandjes naar de socios. Maar nee, Louis wilde geld zien. De dominee was op slag weer koopman geworden.

De ondergang van Van Gaal was ook een kwestie van timing. Hij wist zelf als geen ander dat hij het als trainer niet zou redden. Maar Louis had een verborgen agenda. Hij droomde zich in de positie van technisch directeur, à la Beenhakker bij Ajax, die het vuile werk op het veld wat graag zou overlaten aan de immens populaire Ronald Koeman. Zo kon hij nog een mooie levensavond slijten, aan zee en in de zon. Maar Koeman doet het te goed bij Ajax en is, in tegenstelling tot Van Gaal, nog gebouwd op trouw aan een gegeven woord. Natuurlijk wordt Sneeuwvlokje straks trainer van Barcelona, maar nu even niet. Eerst de klus bij Ajax afmaken. Ronald kent de hitsigheid van het leven, maar als carrièrebeest is hij duizend keer bedachtzamer dan zijn leermeester.

Leedvermaak is niet aan de orde. Deze week zag ik in Barcelona een man vroegtijdig afscheid nemen van een tot religie verheven roeping. De beste zijn, in Nederland, in Spanje, in Europa, in de wereld. Het zal er niet meer van komen. Louis is dramatisch door het ijs gezakt. Zijn mooie toekomst ligt achter hem. Wat rest, is kaartspelen van verdriet. Met Rob Cohen en met Truus. En elke avond dronken worden om zijn eigen vergeefsheid en vergane glorie. In bitterheid de dood tegemoet.

Het had anders gekund. Van Gaal had van Ajax naar Hansa Rostock moeten gaan. Daar zou hij met zijn karwats-discipline zichzelf hebben kunnen overleven. In Barcelona lukte dat niet. In Barcelona staan verknechte zielen naast het veld, niet op het veld.

Barcelona is een geest, geen lichaam.