Patrijs

Ik deed alsof het een late septemberdag in 183* was en volgde het spoor van de tragische Teun de Jager uit het gelijknamige verhaal van Hildebrand in Camera Obscura (2e druk, 1840). Teun jaagt in het Noord-Hollandse Schoorler Duin en Berger Bos op patrijzen, deze bolvormige grondvogels met grijze buik, roodbruin gestreepte flanken en rossige staart. Een duidelijk zichtbaar hoefijzer siert de haan. Bij gevaar drukken ze zich tegen de grond. Als ze, gealarmeerd, van de grond opspatten is dat met veel lawaai en snorrende, korte vleugelslag. Het zijn zaad- en insecteneters.

Pas tegen de avond schoot een klucht patrijzen vlak voor mijn voeten weg. Verderop doken ze weer terug in de bosschages van het negentiende-eeuwse jachtveld. In Teun de Jager krijgen patrijzen een onvergetelijke literaire betekenis. 's Nachts voor de jacht droomt Teun ervan dat hij geen patrijs doodschiet, maar zijn geliefde Sijtje. De nachtmerrie wordt waarheid. In een kittig spel tussen Sijtje en Teun gaat opeens het geweer af. De dode jachtpatrijs is opeens een dood meisje.

freriks@nrc.nl