Onheil door eigenbelang

In hoeverre waren de waterschappen en dijkgraven zelf schuldig aan de dijkbreuken? Deze vraag werd niet gesteld na de watersnoodramp van 1953. Maar de waterschapbeheerders namen voor en na de ramp onverantwoorde beslissingen. Het eigenbelang ging meestal voor de dijken.

`Het besturen van een polder is een zeer verantwoordelijke taak, die is opgedragen aan de dijkgraaf en de gezworenen, samen met de vergadering van ingelanden. Het gaat om de veiligheid van mensen- en dierenlevens en het zeer kostbare bezit: de grond, zonder welke geen leven op deze wereld mogelijk zou zijn. Voor wie het belang van die taak niet eerder duidelijk is geweest, moet dat op 1 februari van dit jaar wel duidelijk zijn geworden.''

Het is vrijdag 10 juli 1953 en in het zaaltje van het `Huis van Nassau' in Zierikzee, het droog gebleven hoofdstadje van het verdronken Schouwen-Duiveland, vraagt dijkgraaf Job Koopman van het waterschap Gouweveer en Zelke de ingelanden om op te staan, hun pet af te nemen en in stilte de 19 `poldergenoten' te herdenken die vijf maanden eerder het leven lieten. Negentien van de in totaal 39 inwoners; met een verlies van bijna 50 procent der bevolking behoren Gouweveer en Zelke tot de zwaarst getroffen polders van het rampgebied.

De dijkgraaf laat het niet bij het gedenken alleen. Hij neemt staande de vergadering de verantwoording voor het drama in zijn polders op zich met de woorden: ,,Wij zijn in onze taak tekortgekomen. Een schrale troost is het dat wij hierin niet alleen stonden. In zeer veel polders bleken de dijken te licht en te laag.''

Met die woorden is Job Koopman een uitzondering. Want noch uit de notulen, noch uit mondelinge mededelingen komt ook maar één andere dijkgraaf naar voren, die eveneens de hand in eigen boezem steekt. Terwijl er toch velen zijn die minstens zoveel reden hebben om dat wél te doen.

Waar Rijkswaterstaat zich beperkt tot de verdediging van de Noordzeekust, zijn de waterschappen de eerstverantwoordelijke bestuursorganen voor de veiligheid achter de dijken langs de zeegaten. Dat is al zo sinds er polders zijn. De waterschappen zijn de eerste democratisch gekozen organen in de Nederlandse geschiedenis en daar wordt vaak met trots op gewezen.

Toch blijkt er halverwege de 20ste eeuw veel aan te merken op de waterschappen, zowel op hun functioneren als eerstverantwoordelijke voor de veiligheid van de bevolking tegen het water als op hun democratisch gehalte.

Terwijl elke volwassen Nederlander sinds 1921 zijn vertegenwoordiger mag kiezen in het bestuur van land, provincie en gemeente, mag slechts een enkeling het bestuur van het waterschap kiezen. Het stemrecht in een waterschap is afhankelijk van de vraag of je grond hebt: zonder grond geen stemrecht.

En zelfs al heb je grond, dan ben je daar nog niet zeker van. In veel polders moet je minstens acht hectare (80.000 vierkante meter) grond bezitten, wil je stemrecht hebben. Er zijn ook polders waar elke tien hectare een stem extra oplevert, zodat de grootste boer het per definitie voor het zeggen heeft en ook steevast als dijkgraaf wordt voorgedragen bij de provincie.

Want de provincie heeft sinds de door Thorbecke opgezette Provinciale Waterstaat (Zuid-Holland 1874, Noord-Brabant 1875, Zeeland 1881) het toezicht op het doen en laten van deze publiekrechtelijke lichamen. Maar dat toezicht stelt in de praktijk niet veel voor. De waterschappen zijn en blijven gesloten organisaties, die hun autonomie koesteren, die onderling amper samenwerken en ook met de gemeenten in hun polders zelden afspraken maken.

Dat gebrek aan samenwerking kun je in de jaren tot aan de ramp van 1953 teruglezen in het landschap. Commissionair C. Hokke uit Ooltgensplaat op Flakkee: ,,Je zag de grens tussen twee polders, doordat daar de zeedijk plotseling een stukje hoger of lager werd. Want elk bestuur besliste zelf hoe hoog hun dijk zou zijn en de een stak er nou eenmaal meer geld in dan de ander.''

Duitse bunkers

Het is inderdaad opvallend hoe groot de verschillen zijn in `dijkgeschot', de belasting die per hectare moet worden betaald voor het onderhoud van de dijken. Er zijn polders waar het in 1952 nog geen tientje per hectare bedraagt, terwijl in andere polders meer dan vijftig gulden wordt betaald.

De beslissing over het dijkgeschot ligt bij de `ingelanden' zelf. En waar men zelf mag beslissen over de hoogte van zijn belasting, is die zelden hoog en vaak te laag.

De polder Stavenisse op Tholen is een voorbeeld. Marien Potappel is er in dienst als kantonnier, de man die alle voorkomende klussen doet aan dijken en wegen. Marien weet uit ervaring hoe er wordt beknibbeld: ,,De portemonnee van het waterschap was altijd leeg. Als je een nieuwe zeis of schop aanvroeg, vonden ze dat eigenlijk al te duur. Als je een paar baaltjes cement nodig had voor de zeewering, zouden ze er bijna een vergadering over gehouden hebben.''

De klacht van Potappel is niet nieuw in de geschiedenis. ,,In het waterstaatsverleden heeft het kortzichtig eigenbelang heel wat onheil gesticht'', concludeert mr. P. Gallé tien jaar na de ramp in zijn studie `Beveiligd Bestaan' over het dijkbeheer in de delta sinds 1200. Volgens Gallé hebben de waterschappen vanaf de 17de eeuw te veel autonomie gekregen. Daar komt dan nog bij dat er door de inpolderingen steeds meer waterschappen zijn ontstaan. Zuid-Holland telt er in 1952 zelfs 625, Zeeland heeft er 297. Weliswaar grenst niet elke polder aan het water, maar toch zijn er alleen al in Zeeland 130 polders die elk een stukje van de in totaal 475 kilometer aan zeedijken in beheer hebben.

Omdat een dijk zo sterk is als het zwakste stuk, blijkt op 1 februari 1953 hoe desastreus dit verbrokkelde beheer van de dijken uitpakt. Op tal van plaatsen breken dijken juist op plekken waarvan kenners (niet alleen achteraf, want er waren al `klokkenluiders' sinds de jaren '30) zeggen dat het daar ook te verwachten was. De dijk was er slecht onderhouden, er zaten mollengangen en konijnenholen in of Duitse oorlogssouvenirs. Maar vooral: dat `dijkvak' was gewoon te laag, zoals in Stavenisse op de westpunt van Tholen. De zeedijk die het dorp moet beschermen, behoort tot de laagste van de Zeeuwse kusten. Bovendien is ze verzwakt, doordat de Duitsers er twee bunkers in hebben gebouwd.

Bij de stormvloed van 7 april 1943 stroomt het water over 26 kilometer Zeeuwse dijken. Maar de dijken houden het wel, omdat het water er maar kort overheen komt. Ook bij Stavenisse gaat het die dag mis. In het rapport dat Rijkswaterstaat drie jaar later, in 1946, uitbrengt staan duidelijke conclusies: ,,Vrijwel over de hele lengte komen tekorten in de dijkhoogte voor. Op één plaats is het tekort niet minder dan 1,80 meter. Omdat de dijk een polder beschermt waarin zich de plaats Stavenisse bevindt, vereist dit punt dringend voorziening. Het gevaar is niet denkbeeldig dat bij een volgende stormvloed een belangrijk stuk van het eiland Tholen geïnundeerd wordt.''

Zeven jaar verstrijken. Al die tijd wordt er geen dijk verhoogd en ook geen bunker uit de dijk verwijderd. Provinciale Waterstaat dringt er ook niet op aan. Zo kan het gebeuren dat op 1 februari 1953 het water in stromen over de te lage dijk loopt, het binnentalud wegvreet, waardoor de bunkers gaan schuiven en de kruin van de dijk over honderden meters wordt weggeslagen. Een vloedgolf stort zich op het dorp en 156 mensen verdrinken.

Waarschuwingen

Valt er veel af te dingen op het dijkbeheer vóór de ramp, ook tijdens en meteen na de rampnacht ontmaskeren nogal wat waterschapsbestuurders zich door onprofessioneel gedrag en het vooropstellen van eigenbelang.

Het begint al in de waarschuwingsfase. Nederland kent een Stormvloedwaarschuwingsdienst, die zaterdag 31 januari telegrammen uitstuurt om te waarschuwen voor gevaarlijk hoog water. Dat telegram is in geen jaren uitgegaan en is alleen daarom al alarmerend. De telegrammen gaan echter alleen naar abonnees. En van de honderden waterschappen in de delta hebben er slechts twee een abonnement.

Nu zou je nog kunnen denken dat een dijkgraaf geen telegram nodig heeft, omdat hij vakman genoeg is om het gevaar zelf tijdig te onderkennen. Bovendien zendt de radio die middag en avond de waarschuwing ook uit.

Maar in veel polders komt ook die waarschuwing niet door of wordt die onderschat. In elk geval wordt het eeuwenoude gebruik dat bij dreigend gevaar de dijkgraaf op zijn dijk staat anno 1953 op veel plekken niet in praktijk gebracht. De voorbeelden van dijkgraven die rustig naar bed gaan en 's nachts door verontruste burgers – of door het water – worden gewekt, zijn legio.

Bovendien wreekt zich nu dat er nooit afspraken zijn gemaakt met de gemeenten. Een rampenplan waarin de taken zijn verdeeld bestaat nergens. En terwijl het water decimeter na decimeter de kruin nadert, staan op verscheidene dijken burgemeesters en dijkgraven elkaar aan te kijken. Want wie moet wat doen op welk moment? Aarzeling en ongeloof verlamt hen. Maken ze zich niet onsterfelijk belachelijk, als ze de mensen uit hun bed gaan trommelen? Pas als het water over de dijken stroomt, proberen ze de inwoners te alarmeren. Maar dan is het vaak te laat.

Soms ontstaat er midden in de nacht ruzie over de vraag wie de scepter mag zwaaien, zoals in Willemstad, het Brabantse vestingstadje aan het Hollands Diep. Daar zit een van de weinige burgemeesters die om 12 uur 's nachts al doortastend bezig zijn. Burgemeester Cor van der Hooft belt de dijkgraaf en de dijkbaas en ontbiedt hen op het stadhuis voor crisisberaad. Ze weigeren. ,,Ik ben niet in uw dienst'', krijgt hij te horen. Pas nadat Van der Hooft al zijn tact heeft aangewend en hen als ,,belangrijke deskundigen'' heeft gepaaid, zijn ze bereid om te komen. In Willemstad kunnen zo tijdig maatregelen worden genomen. Maar Willemstad is deze nacht een van de uitzonderingen.

In Den Bommel, op de noordkust van Flakkee, slaat die nacht middenin het dorp een gat in de zeedijk. Doordat kort daarna de eb begint te lopen, wordt het gat gelukkig niet groot. Toevallig woont in het dorp opzichter E. Smits van de Dijkring Flakkee die de zeedijken van Flakkee onder haar hoede heeft. Volgens hem kan het gat bij het kenteren van het tij worden gedicht. Er moet dan een damwand in worden geslagen, die met zandzakken kan worden verstevigd.

De hele zondagmorgen zijn mannen op de begraafplaats bezig zandzakken te vullen. Omstreeks 11 uur is het dood tij en stroomt er nog amper water door het gat de polder in. Dát is het moment om te handelen. Maar dan begint het water met de ebstroom mee zelfs een klein beetje terug te lopen, het Haringvliet in. Dat brengt de bestuurders van het waterschap op het idee om het gat niet te sluiten. Want, zo redeneren ze, via dat gat kan het water veel sneller terugstromen dan via het gemaal. En hoe korter het zoute water op hun akkers staat, hoe liever ze dat is.

Opzichter Smits kan hoog en laag springen en erop wijzen dat er die namiddag weer een hoge vloed komt, die het gat verder zal verbreden en uitslijten, maar de ingelanden zijn niet te vermurwen. En zij zijn de baas, althans in Den Bommel, dat een burgemeester heeft, die weliswaar wordt gekenschetst als ,,een man van formaat'', maar dat alleen letterlijk. ,,Als bestuurder haalde hij nog geen meter'', zegt een oud-raadslid, jaren later. De burgemeester verzet zich dan ook niet tegen de beslissing der ingelanden.

Natuurlijk schuurt de vloedstroom die middag en de dagen erna het gat verder uit. Uiteindelijk wordt het een gat van tachtig meter breed waarin twaalf huizen verdwijnen. Pas na vier weken kan het worden gedicht.

Er blijken op Flakkee meer waterschapsbestuurders te zijn die zich laten verleiden tot onverantwoorde maatregelen. Ook ná de paniekerige eerste dag van de ramp.

Als de storm is gaan liggen, krijg je op veel plaatsen het vreemde verschijnsel dat bij eb het water in de polder hoog blijft staan, terwijl aan de zeekant de slikken en zandbanken droogvallen, omdat het water wegtrekt naar de Noordzee. De oorzaak is simpel: doordat de voet van de dijk niet is weggeslagen, kan het water in de polder niet naar zee stromen.

Onder Herkingen op de zuidkust van Flakkee ziet boer P.D. Sieling het met lede ogen aan. Al dat water in de polder moet via een spuisluis worden afgevoerd naar zee. Het is duidelijk dat het op die manier dagen gaat duren voordat zijn grond weer droogvalt. Omdat Sieling behalve boer ook `dijkraad' is van de Dijkring Flakkee, geeft hij op 3 februari opdracht de dijkvoet weg te graven én een geul door de buitendijkse gorzen te graven. Zo kan het water snel de polder uitlopen, redeneert hij.

Dijkwerker-voorman Jaap van de Velde protesteert. ,,Doe het niet, want onder de klei ligt een veenlaag die zó weg is als daar water overheen schuurt'', zegt hij. Maar Sieling luistert niet en wijst de voorman op zijn plaats: ,,In deze heb je geen zeggenschap.''

Dus beginnen dorpelingen de voet van de dijk weg te graven. Als er de eerste dag nog maar weinig water wegloopt, geeft Sieling opdracht om de met asfalt versterkte glooiing aan de buitenkant van de dijk weg te breken. Waarop het de volgende dag totaal uit de hand loopt.

Om het in de woorden van de brandweercommandant te zeggen: ,,Er sloegen stukken veen uit de gorzen, zo groot als roeiboten. Binnen twee dagen was dat gat zo diep dat het niet meer te peilen was.''

Er ontstaat een stroomgat van 300 meter breed dat in de dagen en weken erna uitschuurt tot 14 meter diepte. Er zijn 2.500 vrachtwagens met stortsteen en honderdduizend zandzakken nodig voordat het gat – dat door de dorpelingen cynisch `Sielingkanaal' wordt gedoopt – na zes weken gedicht kan worden.

Met het sluiten van het gat is de zaak nog niet gesloten. Er komt een justitieel onderzoek naar Sieling. Door zijn opdracht hebben de huizen en akkers immers veel langer in het water gestaan en bovendien heeft het dichten de overheid kapitalen gekost. Burgemeester Van Heyst: ,,In het begin hebben veel mensen bezwarende verklaringen afgelegd, maar tegenover de rechter zeiden de meesten echter niets meer van de zaak te weten. Daardoor is het politierapport op losse schroeven komen te staan en is de zaak geseponeerd.''

Onzalig idee

Sieling is niet de enige waterschapsbestuurder op Flakkee die zijn functie tot een lachertje maakt. Ook dijkgraaf J.L. Koert uit Stad aan 't Haringvliet heeft het plan om de gaten in de zeedijk dieper te laten uitgraven om zo het water sneller te laten weglopen. Bij de Dijkring Flakkee hoort men ervan en weet men hem nog op tijd van het onzalige idee af te brengen.

Tussen Oude Tonge en Ooltgensplaat liggen zeven polders die door gaten in de binnendijken zijn veranderd in één binnenzee. Daar gebeurt hetzelfde, zo rapporteert Provinciale Waterstaat: ,,Nadat de bovenste schijf water terug naar zee was gestroomd, kwamen de drempels in de gaten van de zeedijk boven water. Door onverlaten zijn in sommige dijkgaten sleuven gegraven om het water verder te laten afvloeien. Gelukkig heeft men daar geen succes mee gehad. Eén stroomgat bij Herkingen was wel voldoende!''

Het is voor de regering snel duidelijk dat het riskant is om het herstel van de dijken in handen te laten van al die kleine, weinig professioneel handelende waterschappen. Bij de `Noodwet Dijkherstel' wordt niet alleen beslist dat het rijk alle kosten van het herstel der zeedijken voor zijn rekening neemt, het rijk – in dit geval Rijkswaterstaat – neemt ook de leiding van het dijkherstel op zich.

De waterschappen worden op een zijspoor gerangeerd en krijgen te horen dat ze ,,gehouden zijn de herstelwerkzaamheden te dulden en voor zoveel nodig er medewerking aan te verlenen''. Ook verder moeten ze in hun polder alles gedogen wat van de kant van de rijksoverheid nodig wordt geacht.

Terwijl men doende is de gaten te sluiten, laait de discussie al op over de vraag of het verantwoord is om de zorg voor de veiligheid nog langer in handen te laten van de waterschappen. De schuldvraag over de ramp mag dan officieel niet gesteld worden, impliciet gebeurt het op die manier toch.

De waterschappen zien de bui al hangen en nemen zelf het initiatief. Op 19 februari krijgt het Zeeuwse provinciebestuur al een verzoek van de Noord-Bevelandse waterschappen om tot één waterschap voor het eiland te mogen fuseren. Schouwen-Duiveland volgt en niet lang daarna ook Tholen. Wat sinds Napoleon anderhalve eeuw door de ingelanden is gedwarsboomd, kan nu plotseling wél: er komt één waterschap per eiland.

Zo vaagde de ramp niet alleen in één klap veel dijken weg, maar ook de eeuwenoude, versnipperde waterschapsstructuur.

Een halve eeuw later is de concentratie van de waterschappen nog verder doorgevoerd en hebben ook burgers stemrecht gekregen in het waterschap. En hoewel ze nu ook meebetalen aan het onderhoud van de dijken, zijn de boeren er dankzij een ingewikkeld kiessysteem toch de baas gebleven. En dat merk je bij de nieuwe problemen in het voormalige rampgebied.

Deze keer wordt het milieu er bedreigd. In de jaren '70 waren de waterschappen al fel gekant tegen de wens van visserij en milieubeweging om de Oosterschelde niet af te dammen, maar de dijken te verhogen. Want mét de dammen kon de verantwoordelijkheid voor de veiligheid grotendeels worden overgedragen aan Rijkswaterstaat en kregen de boeren zoet water.

Toen er in 1975 toch besloten werd om een doorlaatbare dam in de Oosterscheldemonding te leggen, die dus zout bleef, was het de `zoetwaterlobby' van boeren en waterschappen die aandrong op dammen langs de Brabantse wal, waar meren vol zoet water ontstonden. Inmiddels zijn Krammer, Volkerak en Zoommeer vergiftigd door blauwalgen als gevolg van de overbemesting van de Brabantse riviertjes door de intensieve veehouderij.

Om het milieu daar te redden, wordt nu voorgesteld om kieren in de dammen te maken en zout water in de zoete meren te brengen. Maar meteen staat het Hoogheemraadschap West-Brabant op z'n achterste benen. Want ook al kun je er 's zomers bijna over de giftige drab van blauwalgen lopen, zomaar het zoete water prijsgeven waaraan de boeren net gewend waren, dat doet een waterschap niet.

Ondanks fusies en de democratisering gaat bij `het' waterschap het boerenbelang nog steeds boven het algemeen belang.

Kees Slager is auteur van `De ramp', een reconstructie van de watersnood van 1953.