Nr. 1836

Zo wreed kan geen mens het bedenken. Ergens in de jaren negentig kwam men er achter dat er nog een slachtoffer extra bij de 1835 doden van 1953 geteld moest worden. Een kind was geboren in de nacht van de stormramp en diezelfde nacht, nog voordat de naam geboekstaafd stond, verdronken met zijn moeder en haar andere kinderen. Wat een gruwzame kortstondigheid van een bestaan, dat bedoeld was om uit te groeien tot een flink leven! Wat een helse smart voor een moeder die haar barenspijnen beloond zag met een beloftevol kind, en misschien nog voordat het kraambed verschoond was en het jongetje en zij gewassen waren, omkwam in de vloedgolf. Geboren om verdronken te worden, zoals een nest jonge honden door een onbarmhartige boer in een juten zak gestopt werd en in de Maas gegooid, vroeger in Limburg. Het efemere 1836ste slachtoffer zou alleen al uit verzet tegen de zinloosheid een granieten standbeeldje verdienen, ergens op een plaats in Zeeland waar de meest luidruchtige en brallerigste toeristen zich zouden ergeren aan een herinnering aan verdriet.

Wat in Zeeland gebeurde, kent een lange geschiedenis in Nederland. Ook in 1836 werd Nederland geteisterd door een waternood. De grootste van de negentiende eeuw is echter die van 1825 geweest, waarbij 800 mensen, 700 paarden en meer dan 20.000 koeien omkwamen. De storm woedde toen tussen 3 en 5 februari, en vooral Groningen, Friesland en Overijssel werden getroffen. Maar nog omvangrijker zijn de cijfers uit de middeleeuwen: 36.000 mensen in Noord-Holland in 1212, 100.000 bij de Marcellusvloed in 1219 in Friesland, duizenden een jaar later bij een Driekoningenvloed, althans volgens cijfers uit een oude encyclopedie. Bij de St. Elisabeth's vloed van november 1421 verdwenen 72 dorpen in Zuid-Holland onder water, waarvan er 34 nooit meer te voorschijn kwamen. De Bieschbosch ontstond toen. Bij Petten werden 400 mensen begraven onder de instortende kerk. In 1809 waren de dijkbreuken zo omvangrijk, dat half Nederland een open zee leek. De negentiende eeuw is de tijd van de grote rivieroverstromingen. In 1820 werd het gebied tussen Rijn, Lek, Maas en Merwede `over een lengte van 22 uren gaans' herschapen in een golvende ijszee. Enorme overstromingen waren er ook in het rivierengebied in 1855 en 1861. De gebieden rond de rivieren waren extra kwetsbaar in de winterperiodes bij de overgang van vorst naar dooi. Wanneer er nog ijs op de rivieren lag, kon het smeltwater niet wegvloeien.

Ook kwam het voor dat zich enorme ijsdammen ophoopten van losgeslagen brokken ijs, die het water tegenhielden. Daardoor kwam er een geweldige kracht op de dijken te staan. Vrijwilligers van het dijkleger probeerden gaten te dichten met zandzakken of meststortingen. Vaak hielp dat niet meer: dan werden de klokken geluid of kanonnen afgeschoten. Als er nog tijd was, vluchtten de mensen naar hoger gelegen gebieden, maar ook toen was het water zo snel dat vaak alleen de zolder nog een tijdelijke uitweg bood. De ramp van 1861 was extra ingrijpend, omdat die zo lang duurde. Begin januari vonden de eerste dijkdoorbraken plaats bij ijzige kou, waarna de een na de andere dijk viel tot begin februari het land van Maas en Waal, het gebied rond Nijmegen en Noord-Limburg, een water- en ijsvlakte was.

Vóór de negentiende eeuw moest alle hulp voor de slachtoffers van particulieren komen. De gewestelijke regeringen bevorderden de aanleg van nieuwe dijken, maar daarmee hield hun bemoeienis op. In de negentiende eeuw werd de hulp een nationale kwestie, al was die nog steeds van particulieren afkomstig. Bij de watersnoodramp van 1809 wist koning Lodewijk Napoleon zich geliefd te maken bij de Hollanders door in een bootje de overstroomde gebieden te bezoeken. Hij bemoedigde slachtoffers, deelde kwistig dukaten uit, vooral aan weduwen en wezen, en coördineerde de hulpverlening. Daarmee gaf hij een voorbeeld aan zijn Oranje-opvolgers in de negentiende en twintigste eeuw. Bij de rampen van 1855 en 1861 gaf de regering nog steeds geen slachtofferhulp, maar ze nam wel het initiatief tot landelijke collectes. Er werden watersnoodcomités opgericht die ingezamelde gelden en goederen verdeelden.

Een aardige beschrijving daarvan staat in het dagboek van Keetje Hooijer-Bruins, een domineesvrouw uit Zaltbommel, gepubliceerd in 1981. De Waal was in de Bommelerwaard gedrongen en bevroor daar meteen. Veel inwoners vluchtten naar Bommel en de bevolking steeg in een paar dagen van drieduizend naar zesduizend. Al die mensen moesten onderdak krijgen, gevoed en gekleed worden. In de woning van dominee Hooijer vonden twee gezinnen onderdak. Hij werd president van de hoofdcommissie, en terwijl andere leden van de commissie de omtrek van de stad verzwaarden met bekistingen vol mest, zorgde dominee voor de verdeling van kleren en eten. Ketels zuurkool en grauwe erwten met spekvet werden in Amsterdam gekookt en gloeiend heet per spoor naar Utrecht vervoerd, waarna wagens van het garnizoen ze naar Bommel reden. Daar werden ze op sleden gezet om over het ijs naar Tuil gebracht te worden. Het eten kwam nog warm aan. In Herwijnen waren in de hooggelegen woning van de dominee tientallen mensen op zolder gevlucht. Een katholieke vrouw beviel er van een kindje en de pastoor werd met een schuitje gehaald om het te dopen. Het ventje overleefde de watersnood evenmin als nr. 1836. Koning Willem III kwam op bezoek, liep over de bevroren Waal en door de straten van Zaltbommel die vrijwel onbegaanbaar waren door een mengeling van vastgevroren mest en sneeuw. Met een schuit die beurtelings over het ijs getrokken werd of geroeid waar open water was, ging hij naar geïsoleerde gehuchtjes waar nog wat mensen bijeen kleumden. Toen de koning weer in Den Haag was liet hij hulpgoederen sturen, waaronder flanellen onderhemden met parelmoeren knoopjes en zijden stiksels, die de heren van de commissie onder elkaar verdeelden, al legden zij het geld ervoor in de slachtofferkas. De koning was niet de enige die onbruikbare goederen zond. Zoals er in 1953 onbruikbaar kleine b.h's en partijen dadels opgestuurd werden, zo ontving men in 1861 versleten huisraad, theebladeren en een partij feestkleding.

In het Zeeuwse rampjaar verscheen er één boek met foto's dat vrijwel elk huisgezin aanschafte. In de negentiende eeuw was het drukken van rampboekjes een belangrijke vorm van extra hulp aan de slachtoffers. Er was een dominee die een preek op het ijs afstak en die liet drukken `ten voordeele der noodlijdenden'. Alle bekende schrijvers maakten wel een gedicht of novelle speciaal voor de ramp, zoals blijkt uit een inventarisatie door Elsa den Boer. In 1861 verschenen er ten minste 88 watersnooduitgaven. De boekjes werden gratis gedrukt door een filantropische uitgever en voor een paar dubbeltjes verkocht. J.J. Cremer schreef de schets `Op den zolder'; dominee-dichter B. ter Haar gaf de novelle `Roode Teun' en een leerrede voor de noodlijdenden uit; J.P. Hasebroek hoorde `Gods stem in den watervloed'. De meest bizarre uitgave is wel die van Peter de Génestet. Ook hij geeft een gedicht uit `ten voordeele der overstroomden', maar hij voegt daaraan toe: `en in het belang der kunst'. In zijn gedicht hekelt hij de watersnoodpoëten: `nu zijn alle rijmen geheiligd door het doel'. Er moet in zo'n vers vooral drama spelen: `een drama op een dak. Laat daar een grijsaard zweven, een wichtjen in den arm al zaagt ge 't nooit om 't even, dat maakt ons koud en warm'. De dichter kan ook oude watersnoodgedichten gebruiken, niemand die het merkt: `waar schapen eens verzopen, schrijf daar nu koeien voor!' Nederland kan zelfs voedend brood maken van waterpoëzie, schrijft hij smalend.

Wat er van de watersnooduitgaven niet verkocht werd, kwam in Den Haag op een loterij terecht van `allerlei voortbrengselen van handel en nijverheid, kunst en smaak'. De prijzen werden gratis beschikbaar gesteld en varieerden van geborduurde pantoffels tot geglazuurd gebak met een overstromingstafereeltje. Er werden meer dan 200.000 loten verkocht, die 1 gulden per stuk kostten (totale huidige waarde twee miljoen euro). Het geld was op dat moment niet meer nodig en er werd een fonds van gesticht voor nieuwe watersnoodrampen. Ik heb niet uitgezocht of dit in 1953 nog bestond. Mocht er nog een restant bestaan, ach, zou het bestemd kunnen worden voor een steentje voor nr. 1836?