Koeien horen met horens

De sfeer op de Dijckhof in Driebergen is ontspannen. Je merkt meteen dat het geen gewone boerderij is. Er lopen meer mensen dan normaal, en sommige van deze mensen zijn anders dan normaal. Productie en zorg gaan hier hand in hand – de zorg voor geestelijk gehandicapten van het Zonnehuis in Zeist.

Ook in klassieke zin een gemengd bedrijf: er worden allerlei gewassen geteeld en een kleine veertig koeien gemolken; een deel van de melk wordt bovendien op eigen erf verzuiveld. De hele onderneming is op biologisch-dynamische leest geschoeid, geïnspireerd op Rudolf Steiner, zijn fameuze landbouwcursus van 1928.

Steiner ging zijn volgelingen voor in de wereld van het fijn-stoffelijke. Bij koeien kende hij een bijzonder belang toe aan de horens (en de hoeven). In hun horens (en hun hoeven) zouden deze dieren het meest in zichzelf verzonken zijn en juist in deze verzonkenheid ontwikkelt zich de

levenskracht van hun geschenken aan onze aarde: melk en mest.

Voor mij is het flauwekul. Het spijt me dat ik het zo zeggen moet, maar ik heb eerder over dit gedachtegoed geschreven en toen bleken ironie en sarcasme volstrekt onvoldoende om me te behoeden voor de bijval der gelovigen.

Niks met Steiner dus, maar ik heb wel degelijk iets met koeien en hun horens.

Op de Dijckhof hebben de koeien een potstal. Ze liggen, staan of lopen op een dikke laag stro. Ze kunnen zich in deze ruimte vrij bewegen en wij bewegen ons vrij tussen hen door. Koeien van oud-Hollands tot nieuw-Holsteins, van compact tot uit de kluiten gewassen, van gezapig tot ambitieus, en wat de horens betreft: van bot naar binnen gebogen (wat welbeschouwd weinig kwaad kan) tot scherp naar boven gericht (wat in een minder ontspannen sfeer een gevaarlijke indruk zou maken).

Daar komt overigens een koe aangelopen, daar maakt nummer twee zich direct uit de voeten en daar komt nummer drie overeind voor het geval het menens wordt.

Ik ben geneigd gedachteloos aan dit soort interacties voorbij te gaan, maar natuurlijk, er zit systeem in. De boer die zijn beesten kent, kent ook de patronen: wie voor wie aan de kant gaat, wie aan wie schijnbaar uit beleefdheid zijn plaats afstaat. De orde waarin koeien leven is toch bovenal een rangorde en die rangorde berust in laatste instantie op reële krachtsverhoudingen, dat wil zeggen een combinatie van kracht en de bereidheid om kracht te gebruiken.

Nu wijst Ton Baars me links en rechts wat koeienhorens op koeienlijven kunnen aanrichten: krassen in de huid, littekens op de ribben. Echt ernstig is het pas als een horen, bij ongeluk dan, een uier raakt of in een kling blijft haken, maar ook de kleinere beschadigingen zou je willen voorkomen.

Baars zit bij het Louis Bolk Instituut en heeft meegewerkt aan een brochure voor boeren die willen dóórgaan met koeien met horens. Een koppel koeien maakt nog geen kudde. In de titel ligt de plot al besloten.

Vroeger, in de grubstal, stonden koeien de hele winter aangebonden. Een pretje zal dat ook wel niet zijn geweest, maar er kwamen in ieder geval geen ordeverstoringen van. Gingen ze in het voorjaar de wei in, dan zag je algauw schermutselingen ontstaan: één op één, de koppen omlaag, de horens gekruist en dan maar duwen. In verschillende combinaties gingen dergelijke krachtmetingen door tot de verhoudingen weer duidelijk waren. Verwondingen kwamen in het open veld weinig voor. De horens werden dan ook eerder als middel om elkaar te fixeren dan als stootwapen gebruikt.

Toen in de jaren '60 de loopstal zijn intrede deed, werd met schrik geconstateerd hoe lelijk koeien elkaar konden toetakelen. Ze kregen de vrijheid, maar niet de ruimte, niet genoeg althans om uit te wijken bij dreigend geweld, laat staan om zich daartegen te verweren. Nu kon een willekeurige zwaai met een gehoornde kop al een flinke wond slaan. Zo, als aanpassing aan nieuwe stalsystemen, is het onthoornen van koeien in zwang gekomen.

Ik beschouw het als een vorm van verminking. Niet dat het zo'n vreselijke ingreep is. Je doet een beetje pasta op de hoornplaatjes op de kop van een kalf en de horens zullen eenvoudig nooit tot ontwikkeling komen. Maar hoe je het ook wendt of keert, je berooft de koe mét haar horens van een natuurlijk kenmerk en bijbehorende gedragsmogelijkheden. Ze kunnen elkaar niet meer verminken, dat is waar, maar het organiseren van de rangorde kost nu in feite alleen maar méér moeite en energie.

Intussen is het onthoorningsproces zo ver voortgeschreden dat de koe zonder horens als standaard wordt beschouwd, de koe mét horens min of meer als een anomalie. Voor mensen die er verstand van hebben gelden horens bij een koe nu als symbool van achterlijkheid, voor mensen die er geen verstand van hebben als aanwijzing voor een teveel aan mannelijke hormonen.

Ik vraag me wel eens af of er nog iemand is die ziet hoe Ielijk ze eigenlijk zijn, koeien zonder horens – die uitgestreken smoelen, die zinloze kuifjes op de kruin. Ze kunnen het niet helpen natuurlijk, maar géén gezicht.

De gehoornde koe is naar de marges van het melkveebedrijf verdrongen. Zelfs de EKO-normen die in Europees verband voor de veehouderij zijn geformuleerd bieden wat dat betreft geen toekomst. Van varkens mogen de staarten en de hoektanden niet worden geknipt, van kippen de snavels niet bekapt, maar van koeien wél de horens weggenomen – ook al omdat het helemaal niet zo'n vreselijke ingreep is waarschijnlijk.

Nu zou ik hierover nooit begonnen zijn, sommige nederlagen zijn domweg te groot om je er niet bij neer te leggen, als ik die brochure van het Louis Bolk Instituut niet onder ogen had gekregen. Koeien met horens kunnen ook in moderne stalsystemen worden gehouden. Ton Baars vat zijn bevindingen nog eens voor me samen.

De dieren moeten genoeg ruimte hebben, en dat is niet alleen een kwestie van vloeroppervlak maar ook van inrichting. Er moeten geen conflicten worden uitgelokt door het voederhek of de krachtvoerautomaat of de toegang tot de melkput. De kudde moet niet te groot worden en zo weinig mogelijk veranderen van samenstelling. Tochtige koeien, die altijd onrust veroorzaken, moeten tijdig apart worden gezet. Misschien zou er een stier aan de kudde moeten worden toegevoegd; een goede stier draagt bij aan stabiele verhoudingen en hij signaleert tochtigheid steevast als eerste. Misschien zou er ook een kalmere koe moeten worden gefokt, minder van dat Amerikaanse, van dat opgeklopte, van die puntige horens.

,,Uiteindelijk'', meent Baars, ,,is het vooral een zaak van bedrijfsvoering, de aandacht van de boer voor zijn beesten.'' En in deze opvatting wordt hij bijgevallen als we even later Marcel Schoenmakers tegen het lijf lopen. Deze opgewekte jongeman is op de Dijckhof verantwoordelijk voor het melkvee. Hij zegt: ,,Als je een rustige kudde wilt, zul je om te beginnen zelf moeten leren om rustig te zijn.''

,,Het gaat je aan je hart'', gaat hij verder, ,,als je een hartstikke gaaf vaarsje in de groep jaagt en ziet dat er zesendertig dames op af komen om haar op haar plaats te zetten. De volgende dag zit ze onder de schrammen, en dan is ze zo schuw dat ze alleen nog maar 'snachts durft te eten. En daar kun je helemaal niks aan doen – behalve zorgen dat er 's nachts wat te eten is.''

,,Laatst'', vertelt hij tot besluit, ,,was er eentje met een horen bekneld geraakt tussen een drinkbakje en de muur – ik weet nog niet hoe ze het voor elkaar gekregen heeft, maar die heeft die horen finaal afgerukt. En een bloed, een bloed!''

Waarmee we terug zijn bij Steiner. Want waarom zouden die koeienhorens zo enorm doorbloed zijn als ze niet van bijzonder belang waren?

Koeien zonder horens, zo suggereert deze leer, staan lek op de wereld. Dit beeld moet je niet letterlijk nemen maar een beetje overdrachtelijk, een beetje poëtisch, dan zit er wel wat in.