Kijken in een roze spiegel

Wie zichzelf beter vindt dan anderen, is niet sociaal onaangepast, maar psychologisch gezond en alom geliefd, las Ellen de Bruin.

Als je stiekem denkt dat je over het algemeen beter, slimmer, leuker bent dan anderen, ben je dan een arrogante hufter of juist een sociaal aangepast en psychologisch gezond persoon? Uit onderzoek blijkt dat het laatste het geval is.

De Amerikaanse psychologe Shelley Taylor is daar al jaren van overtuigd. Uit haar onderzoek bleek al eind jaren tachtig dat mensen geneigd zijn vooral hun successen te onthouden, om te denken dat het aan henzelf ligt als er iets goed gaat en aan anderen als iets misloopt, om hun eigen negatieve eigenschappen te bagatelliseren en om zichzelf meer positieve eigenschappen toe te dichten dan anderen. Tussen 67 en 96 procent van de mensen zou dat doen. Omdat nu eenmaal niet iederéén beter kan zijn dan anderen, noemde Taylor het verschijnsel `positieve illusies'. Mensen die dergelijke illusies koesterden, ontdekte ze, waren psychologisch gezonder en creatiever, hadden betere relaties en werkten beter.

Van oudsher hebben psychologen echter gedacht dat zulke zelfverheerlijking een teken was van onaangepastheid, van ziekelijk narcisme en zelfbedrog, en voorbehouden aan neuroten. En nog steeds zijn er psychologen die die zienswijze aanhangen. Uit hún onderzoek bleek dat mensen die zichzelf als beter dan gemiddeld zien, daar hooguit op korte termijn voordeel van ondervinden, maar uiteindelijk ontmaskerd worden als arrogant en leugenachtig. En weer anderen beweerden dat je jezelf niet te leuk moet vinden, maar ook niet moet onderschatten; dat er dus een optimum niveau van van jezelf houden bestaat.

Wie heeft gelijk? Om daarachter te komen pakte Taylor haar nieuwe onderzoek, deze maand gepubliceerd in Journal of Personality and Social Psychology, groot aan. Ze liet zo'n honderd mensen een complete batterij aan persoonlijkheidsvragenlijsten (`bezit u deze eigenschap meer of minder dan de gemiddelde persoon?') invullen, alsmede allerlei tests voor psychologisch functioneren. Ze liet de proefpersonen beoordelen door klinisch psychologen en consulteerde ook hun vrienden. Er bleek geen enkele aanwijzing dat mensen die zichzelf gemiddeld als beter dan anderen beschouwden, daar sociale nadelen van ondervonden. Sterker nog: ze bleken psychologisch gezonder, hoe de meting ook plaatshad, en er was ook geen indicatie dat er een optimum van zelfverheerlijking zou bestaan. Van jezelf houden bleek gewoon gezond; mensen die dat deden keken via een roze spiegel naar de wereld.

Taylor tekent er wel bij aan dat anderen niet in de gaten hoeven te hebben hoeveel iemand van zichzelf houdt: er is een verschil tussen van jezelf houden en jezelf presenteren als iemand die alles altijd heel goed weet en kan. Waarschijnlijk, zegt ze, hebben die andere onderzoekers dát gemeten: een ongezond gebrek aan sociale vaardigheden dat mensen afschrikt en uiteindelijk ook ongelukkig maakt.